Jack Courant 100 jaar: mazzel tot op de dag van vandaag

Nieuws
“Er is genoeg te vertellen na honderd jaar,” aldus Jack Courant.
“Er is genoeg te vertellen na honderd jaar,” aldus Jack Courant. (Foto: Brandeisfotografie)

NIEUWWEST - Tijd om zich te vervelen heeft hij niet. Jack Courant bezoekt geregeld het Concertgebouw, waar hij al 75 jaar lid van is, en vertoeft in het Sloterpark, toegezwaaid door de daar sportende medemens. Hij geniet van klassieke muziek, heeft nog wat reisjes op de planning staan en kan iets wat hij vroeger niet kon: uren voor zich uit staren. Tevreden en met het besef: “Ik zit op de glijbaan en ga naar beneden.” Zondag 10 maart viert hij zijn 100ste verjaardag.

Shirley Brandeis

“Dat je veel minder kan dan je ooit gekund hebt, en dat accepteren.” Zo vat Jack Courant de hoge leeftijd samen. Hij loopt met “een hulpje”, zoals hij zijn rollator noemt, hoort niet alles even goed én kan dus uren staren. “Dat kon ik vroeger niet.” Hij geniet van klassiek, gaat uit en op reis, hij leest en luistert. Zoals hij als huisarts ook luisterde. “Ik nam de tijd. En soms een sigaar.” Een alleszeggend gebaar in een tijd dat de arts tijd had, autoriteit uitstraalde en dus nog kon roken in de praktijk. Jack Courant was als man van de medicijnen zijn tijd vooruit en wist: lichaam en geest zijn met elkaar verbonden. “En je kunt nooit zeggen wat erger is.”

Begin van het einde

We gaan verder terug in de tijd. Na de handelsschool werkt de jonge Jack als boekhouder en volgt een accountantsopleiding. “Mijn moeder Jeanne was diamantbewerkster, mijn vader Siegfried jazzpianist. In de crisisjaren hadden ze soms allebei geen werk. We hebben wel een beetje armoede gekend.” Hij heeft goede herinneringen aan zijn jeugd in de Boterdiepstraat in Amsterdam-Zuid. Jack kon goed met zijn vier jaar jongere broer Wim overweg. “We waren een eenvoudig en liefdevol gezin. Joods, maar daar deden we niets aan.” Toen Hitler op de radio brulde dat Joden untermenschen waren en in 1939 Polen binnenviel, was de familie Courant alert, maar niet bang. “Nederland was neutraal in de oorlog van 1914-1918. We dachten: we zullen het wel zien. Toen ik in de nacht van 10 op 11 mei 1940 wakker werd van het afweergeschut, wist ik: dit is het begin van het einde.”

Annie

Jacks vader werd ontslagen bij het orkest, bordjes ‘joden niet gewenscht’ verschenen in het straatbeeld. Toen alle Joden een ster moesten dragen (“ik heb dat als een ontzettende vernedering gevoeld”) en Jack in de zomer van 1942 een oproep kreeg zich te melden, besloot hij onder te duiken. “Ik laat me nog liever doodschieten dan me als een mak schaap afmaken,” zei hij tegen zijn ouders en vertrok, nadat hij met grote opluchting de ster van zijn jas had getrokken. “Dat voelde als een bevrijding.” Wat volgde beschreef en vertelde hij vele malen. Graag benadrukt de eeuweling de mazzel, de enorme mazzel, die hem van het ene naar het andere onderduikadres bracht en deed overleven. Met altijd die warme herinnering aan het laatste adres in Veendam, bij veearts Monster en zijn vrouw Annie. In de gesprekken met de belezen vrouw des huizes, die in de jongeman een geestelijk evenwicht in een boerenomgeving vond, ontstond niet alleen de wens om psychiater te worden maar ook een liefdesrelatie waar hij met spijt en genoegen op terugkijkt. Dankzij de schoolboeken en clandestiene leraar die de familie regelde, kon Jack na de oorlog zijn HBS-B-diploma halen. Waarna een studie medicijnen en een lange loopbaan als huisarts volgde. Een huisarts met enorme interesse in de psychosociale kant van de kwaal die de mens bezighoudt.

Walhalla

Mazzel, zegt hij, over de vele momenten in zijn leven waarop het weer goed kwam. Of het goede gebeurde. Zoals ook de ontmoeting met Ida (Ikie) de Miranda met wie hij ruim zestig jaar getrouwd was, tot aan haar overlijden in 2009, en drie kinderen kreeg. Over de kennismaking met zijn schoonfamilie: “Bij haar ouders thuis was het na de oorlog feest. Een walhalla.” Hij maakte er kennis met andere overlevers, zinnige mensen, en drank. “Je moet het positieve in je hebben om verder te gaan,” zegt Courant. “Om van daaruit opnieuw te starten met de resten die je nog hebt.” Zijn vader en broertje waren vermoord, zijn moeder overleefde het kamp. De pijn draagt hij door karakter en ervaring. “Er zijn redenen genoeg om negatief te zijn, maar dat is niet verstandig. Hoe ik ben, wat mijn ouders mij meegaven en hoe liefdevol ik ben opgevangen na die periode, maakten dat ik door kon met mijn leven.”

Geestig beginnetje

Tijdens het gesprek hangen twee ballonnen in de vorm van het cijfer 9 van het vorige feest nog aan de muur. Of honderd een magisch getal voor hem is? “Ja zeker. De hele sfeer eromheen. Mensen willen een feest. Dat geven we dan ook. Mijn vriendin Elly heeft de Uilenburgersjoel geregeld. Ik ben aan het nadenken over mijn toespraak. Ik heb al een heel geestig beginnetje. Er is genoeg om te vertellen na honderd jaar.” En daarna? Kijkt Jack vooruit? “Nauwelijks. Honderd worden heeft iets absoluuts in zich. Zo van: dat was het. In afwachting van het eind. Theoretisch kan er nog heel wat gebeuren, maar in de praktijk is dat vrijwel nooit het geval. Nog een klein jaartje of zoiets, denk ik.” Of het klopt, dat je met de jaren wijzer wordt? Ben je met honderd dan niet heel erg wijs? “Dat was ik altijd al,” grinnikt hij. Serieus: “Als je ouder bent, kun je dingen op een bepaalde manier bekijken. Door inzicht en door ervaringen.”

Het omgaan met mensen is eindeloos interessant, besluit Jack Courant. Hij deed dat een leven lang. Terugblikken is mooi, maar de mooiste momenten benoemen, is lastig. Alles komt voorbij: het huwelijk met Ikie, de kinderen, zijn loopbaan, de kleinkinderen, Elly, hond Doebie die er niet meer is, boeken, muziek… “Mazzel,” zegt hij geregeld. “Mazzel tot op de dag van vandaag.”