Het woordje ‘panna’ bestond nog niet

Nieuws
het woordje 'panna'' bestond nog niet.
het woordje 'panna'' bestond nog niet. (Foto: Illustratie: Alex van Koten)

HAARLEM - Voetballen op straat, zonder panna maar mét pingelen — een nostalgische terugblik op jeugdige dribbels, gemiste kansen en onvergetelijke momenten op het ‘veld’ van toen.

Door Willem Brand

Toen de schrijver dezes tiener was, was het woord ‘panna’ zelfs nog niet ingeburgerd, wel de woorden pingelen en pingelaar. Een pingelaar werd je genoemd als je de bal te vaak te lang bij je hield. Ik was er een, natuurlijk de bal was mijn beste vriend. Cruyff Courts had je toen nog niet. De jeugd voetbalde gewoon op straat. In de Stuurmanstraat was ons ‘veld’ zo’n veertig meter lang en zo’n vijftien meter breed. In de lengte had je twee blinde muren van twee huizenblokken – dat was handig om de bal tegen te kaatsen en zo de tegenstander te passeren - en aan een eind was een groene houten deur, die toegang gaf tot het plein waarachter zich garageboxen bevonden, het doel. Aan de andere waren dat twee jassen. Het liefst speelde ik de kant op van de deur zodat je de bal met een vlammend schot tegen de deur kon jagen. Pats, goal! Auto’s stonden er niet op straat, daar had je immers de garage voor! En lang niet iedereen had een auto. 

Stoepranden-schieten

Op mijn elfde verhuisde ik naar een andere wijk omdat de onze ophield te bestaan. Daar was het veld een stuk kleiner en bijna alle jongens een paar jaar jonger. Daarom ging ik veel liever met Fuffie – de enige jongen van mijn leeftijd - ‘stoepranden-schieten’. Dat spel hadden we zelf uitgevonden. Je moest eerst met de bal tegen een stoeprand gooien, want je kon pas op doel schieten als de bal terugkwam. Onze doeltjes waren even groot: de ruimte tussen twee regenpijpen. Kees, zo heette hij echt, en ik waren eraan verslaafd. Het was dus 1 tegen 1, zonder dribbelen. En je kreeg ook geen extra punten als je door de benen van de ander in het doel mikte. Het woordje ‘panna’ bestond toen nog niet. Wel het woordje pingelaar dus, of pingeldoos.

Tijdens een schoolvoetbal-toernooi, ik was toen 14 jaar, maakte ik mijn mooiste en tegelijk meest dramatische pingelactie. De stand was 0-0. Er waren nog maar enkele minuten te spelen. Ik pingelde vanaf mijn eigen strafschopgebied naar voren, passeerde een mannetje of vier, vijf en stond toen plots vrij voor het doel. Als ik zou scoren, dan zou het schoolteam van het Johan de Witt Lyceum de finale van het Haagse schooltoernooi hebben gehaald. Dat zou de eerste keer zijn. Maar omdat ik te veel naar de linkerkant was uitgeweken - ik was immers een linkspoot - was de hoek klein. Ik schoot en zag tot mijn ontzetting de bal niet langs de keeper in het doel gaan, maar vlak langs de paal naast. Mijn medespelers renden allemaal op me af en in plaats van troostende woorden en een arm om me heen, waren ze boos. Ze hadden natuurlijk hartstikke gelijk. Hoe kon ik nou zo dom zijn om niet te scoren.

Meer nieuws uit Haarlem?

Ontvang de laatste updates per mail —

Volg ons op:

Heb je ook een nieuwtje? —

Deel dit bericht: