Juffrouw Kramer

Amsterdam 750
Afbeelding
(Foto: Pixabay)

Die dag dat ik niet naar school hoefde kan ik me nog goed herinneren, al weet ik niet waarom. Het was begin jaren zestig van de vorige eeuw, ik was denk ik vier of vijf jaar en woonde met mijn ouders en oudere broer Eric op drie hoog aan de Osdorperban. 

Door Marcel van Stigt

Mijn vader trok zijn jas aan om naar zijn werk te gaan - hij werkte als procuratiehouder bij Delta Lloyd, wat vast een interessante en ingewikkelde baan was, en Eric mocht zelf naar school. Hij zat op de Lukasschool, om de hoek, en kon daar makkelijk zonder ouderlijke begeleiding naartoe lopen. Opvoeden is toch ook een kwestie van loslaten. 

Nou, dacht ik, dan brengt mijn moeder mij straks naar school. Dat was immers de standaardprocedure. Ik wachtte op haar teken om van tafel op te staan. 

Ik had nooit zin in school. Gelukkig was mijn juffrouw heel aardig, een beetje moederlijk. Juffrouw Kramer heette ze. Het was, zo begreep ik vele jaren later, de zus van Frank Kramer, een markante televisiepresentator. 

Maar eerst maakte hij furore als voetballer – tijdens een interview heeft hij ooit bloedserieus verteld dat hij de voorzetten die hij vanaf rechts verstuurde zelf in het doel kopte. 

Het teken van mijn moeder kwam niet. 

Ik begreep het niet. Was ze vergeten dat ik naar school moest? Dat was mijn eerste gedachte. En ik liet het zo. Niet naar school! Wat een verrassing! 

Ik pakte mijn Dinky Toys-autootje – een witte politieauto, een Volkswagen Kever – en liet hem bochten maken op het tafelblad. Gewoon lekker spelen en vooral niks zeggen, dat leek me het verstandigste. 

Wat zouden we die dag gaan doen als ik toch niet naar school hoefde? Misschien was het wel zomerweer en gingen we naar de Sloterplas. Dat deed mijn moeder vaak. Dan zocht ze een plekje in het zand – emmertje, schepjes en vormpjes mee, wit zonnehoedje op mijn bolletje – en nam ze Eric en mij om de beurt mee het water in. Met haar rechterarm hield ze me tegen zich aan, met haar linkerarm maakte ze zwemmende bewegingen. 

En na afloop, op weg naar huis, kocht ze ijsjes bij ijssalon Schep, schuin tegenover onze woning.

‘Schepijs’, grapte mijn vader altijd. 

Ook na mijn onverwachte vrije dag hoefde ik niet naar school. Uit de gesprekken tussen mijn ouders ving ik op wat er aan de hand was. Juffrouw Kramer was ziek. Dat snapte ik, want ik was ook wel eens ziek. En het ging altijd weer snel over.

Maar in het geval van juffrouw Kramer was het nogal serieus. Mijn ouders praatten er op gedempte toon over en keken af en toe met een snelle blik naar mij; kennelijk was het niet de bedoeling dat ik iets opving. 

Er was echt iets heel vervelends gaande. Zoiets voel je als kind. Maar ik begreep er weinig van.

Wat ik vooral niet begreep: zodra het over juffrouw Kramer ging, zei mijn moeder vaak ‘K’, bijna fluisterend. En dan knikte mijn vader en kwam er een spijtige blik in zijn ogen.

Een paar dagen later kwam mijn vader thuis van zijn werk en zei mijn moeder zachtjes, toen hij zijn jas nog niet uit had getrokken en zijn tas nog in zijn hand had, dat juffrouw Kramer was overleden. Ik wist niet wat ze daarmee bedoelde, maar het leek wel iets ergs te zijn. Dat maakte ik op uit de manier waarop mijn moeder het vertelde. 

Ik hoorde ook nog iets over ‘begrafenis’. Geen idee wat dat nou weer was. Ik ben maar weer verder gegaan met spelen.

Meer nieuws uit Landsmeer?

Ontvang de laatste updates per mail —

Volg ons op:

Heb je ook een nieuwtje? —

Deel dit bericht: