Langs sporen van de oorlog: Bert Gerritse vertelt

Binnenkort is het 80 jaar geleden dat Nederland bevrijd werd. Ook Midden-Delfland zuchtte onder het juk van de bezetter en de blijdschap was heel groot toen op 5 mei 1945 eindelijk de vrede werd aangekondigd. Van lieverlee zijn er niet veel mensen meer die persoonlijk nog iets over die periode kunnen vertellen. Bert Gerritse (88) uit Den Hoorn was nog heel jong, maar toch heeft hij genoeg details die hij met ons wil delen.
Gemma van Winden-Tetteroo
Op de ‘Lijst der Middenstanders welke oorlog hebben gehad op Vrijdag 10 mei 1940’ staan maar liefst tweeëntwintig ondernemers die schade hadden opgelopen bij het bombardement op Den Hoorn. De lijst, die Bert laat zien, toont aan dat kolenboer Cees van den Ende de grootste schade had, maar liefst fl 2000,- want zijn hele loods lag in puin. Bert was nog maar een kleine jongen in die tijd. “Mijn vader was tuindersknecht bij Van Oosten tegenover ons huis. Wij woonden aan de Woudseweg. In 1939 moest mijn moeder naar een sanatorium, mijn jongere broertje was één jaar. Wat moest vader met drie kleine kinderen? Hij besloot bij zijn ouders in te trekken. Het was een heel klein huisje in de Knakenbuurt waar opa en opoe woonden, samen met drie tantes en een oom. Maar wij konden er wel bij. In 1941 overleed mijn moeder en zijn we voorgoed in het huisje blijven wonen tot 1951.”
Angstig
“Het huisje van opa en opoe stond op een hoek. Mijn vader vond dat maar gevaarlijk en dus hebben we de eerste nacht van de oorlog bij buren doorgebracht die middenin het rijtje woonden, de familie Kerklaan. In de bedstede in de keuken lagen al drie kinderen maar wij werden er ook ondergebracht. Toen een paar jaar later Den Hoorn nog eens gebombardeerd werd, moesten we thuis onder de trap gaan staan. Dat was heel angstig. Maar toch hebben wij kinderen ook gewoon gespeeld met andere jongens en meisjes uit de buurt. We speelden soldaatje en zongen een liedje: ‘He kleine schildersjongen, wat ben je begonnen? Want met al je mitrailleurs en bommen, kan je lekker niet in Engeland kommen.’ We mochten het eigenlijk niet zingen want een paar deuren verder lagen Duitsers ingekwartierd.”
Vervalsing
“Toen er in december 1944 een razzia werd gehouden op Den Hoorn, zaten mijn vader en ik in de kerk. Ik mocht naar buiten maar vader koos het hazenpad en kwam die dag niet thuis. Mijn tante liep te huilen: “Straks hebben ze onze Jan te pakken.” Mijn vader was van 1907 maar ergens in die tijd heeft iemand in zijn Ausweis de 7 veranderd in een 1. Want mannen boven de 40 die in de land- of tuinbouw werkten, hoefden niet naar Duitsland.” Bert heeft het vervalste persoonsbewijs altijd bewaard.
School
Ook van de Bevrijding weet Bert nog wel wat te vertellen. “De Canadezen kwamen Den Hoorn binnenrijden, ik weet nog waar ik stond en ik kreeg chocola! Ze hebben nog even de school gebruikt als overnachtingsplek. Trouwens, die school werd al heel snel in de oorlog gevorderd door de Duitsers. Toen ik in 1943 naar de eerste klas ging, werden we ondergebracht in de stal van Geer Schenkeveld (waar nu Dalsem is). Met strobalen was er een tussenmuurtje gemaakt. We hadden ook les op de meelzolder van Van den Ende, in de Burcht en in de Gazellezaal. Omdat de huisvesting belabberd was, hadden de klassen om beurten een dagdeel les.”
Gebrek
Het was armoe troef, ook in huize Gerritse. “We hadden geen honger, wel gebrek. Mijn tante maakte van gekregen bieten soep en als we volle melk hadden, dan roomde ze die af en hadden we boter. Het was ontzettend koud in de Hongerwinter. Oude truien werden uitgehaald om sokken van de breien. Toen ik mijn Eerste Heilige Communie zou doen, moest ik er wel knap bijlopen. Tante maakte van een oud kostuum van mijn oom een pak voor mij.”
Aan de slag
Meester Ham, de hoofdonderwijzer van de lagere school, kwam bij vader Gerritse praten want hij vond dat Bert wel ‘door kon leren’. Maar daar kwam niks van in. Bert moest een vak leren en centen verdienen. “Andere jongens gingen werken in de tuin of naar het seminarie. En als je heel bijdehand was, ging je naar de mulo. Ik had bij schoenmaker Wilmer allerlei klusjes gedaan en zo werd ik schoenmaker.” Bert volgde de ene cursus na de andere en samen met zijn latere vrouw Elly nam hij in 1959 de schoenmakerij van Wilmer over. Het was op de plek waar nu de Pitstop is. Er stond nog een deel van een oude boerderij achter het pand en toen ze flink gespaard hadden, kochten ze dat op en maakten er een grote winkel.
Echte Hoorenaar
Bert heeft zijn leven lang in Den Hoorn gewoond en wil er nooit meer weg. Op 11 april, als de schoolkinderen van Den Hoorn en Schipluiden langs ‘Sporen van de oorlog’ gaan fietsen, hoopt Bert bij de katholieke kerk te staan om de kinderen wat van zijn ervaringen te vertellen. Als één van de weinigen die zelf nog herinneringen heeft aan die vijf jaren van bezetting.
De komende maanden staan we in de rubriek ‘Langs sporen van de oorlog’ uitgebreid stil bij de herdenking van 80 jaar Bevrijding.







Meer nieuws uit Midden-Delfland?
Ontvang de laatste updates per mail — schrijf je hier in!
Heb je ook een nieuwtje? — Tip hier onze redactie