Column Marcel van Stigt: Klantenbinding

Nieuws
Afbeelding
(Foto: Pixabay)

Een tijd geleden zat ik met mijn vriendin en haar dochter in een Amsterdamse bioscoop. We keken naar ‘The Favourite’, een kostuumdrama. Niet mijn keuze en ik vond het maar niks. Niet gewoon niks, maar zéér niks. Nog nooit was ik zo blij dat een film eindelijk afgelopen was. 

Niet dat het mij iets uitmaakte. Het had ook ‘The Minions 5’ of ‘Alice in Wonderland’ mogen zijn, desnoods een romantische comedy met de onvermijdelijke Hugh Grant in de hoofdrol. Het ging me helemaal niet om de film. Ik vond het gewoon gezellig. 

Nog gezelliger was het na de film. Lekker met zijn drieën eten in een sfeervol Spaans restaurant op loopafstand. Wijntje, biertje, tapas, leuke sfeer. 

Na afloop liep ik naar de bar om af te rekenen. Of ze pepermuntjes hadden, vroeg ik tijdens het pinnen. Dit op verzoek van de dames. 

Ze hadden geen pepermuntjes. 

“O jé, hoe leg ik ze dit uit?” vroeg ik quasi-wanhopig. 

“Wacht maar”, stelde de eigenaar me gerust. “Roep ze maar even hierheen.” 

Vanuit het niets toverde hij drie elegante borrelglaasjes te voorschijn en zette ze op de bar. Hij schonk ze vol uit een sierlijke fles. “Onze huislikeur. Héél speciaal.” 

Ik wenkte mijn vriendin en haar dochter, die, met hun jas aan, al bij de deur stonden, en ze voegden zich bij mij. Ze waren wel in voor een glaasje, en waardeerden vooral het sympathieke gebaar van de eigenaar. 

Het pakte goed uit. Het was heerlijke likeur, iets met amandel en sinaasappel, maar het was vooral een sterk staaltje klantenbinding. 

Hij had ons voor zich gewonnen. Dat we hier vaker zouden gaan eten, was meteen unaniem besloten. 

Het kan ook anders. Járen geleden zat ik elke zaterdag - en soms ook vrijdag - met een vriend van me in een kroeg in dezelfde buurt. Het betere stapleven. We begonnen vroeg; rond halfnegen, als de avond voor de meeste mensen nog op gang moest komen en de barmedewerkers de glazen nog aan het voorspoelen waren. Toen liepen wij al vrolijk binnen. Dan wisten we in ieder geval zeker dat we comfortabel aan de bar konden zitten; we hadden een hekel aan staan. 

We bleven tot een uur of één. Dan vonden we het mooi geweest en kregen bovendien trek in twee broodjes shoarma, die we schuin tegenover het café konden aanschaffen.

In ons stamcafé bestelden we standaard rum-cola. Best veel ook. Líters hebben we zo bij elkaar weggewerkt. En altijd uit heel aparte, fraai vormgegeven glaasjes. 

Na stapavond nummer zoveel leek het ons leuk om zo’n glaasje ook thuis te gebruiken. We waren er namelijk nogal aan gehecht geraakt. “We willen allebei zo’n glaasje mee naar huis nemen”, zei ik bij ons vertrek tegen de ons zo vertrouwde barman, met wie we inmiddels een warme, hechte band hadden gesmeed. “Mag dat?’’ 

“Da’s goed”, zei hij. “Dat is dan tweemaal één gulden vijftig.”

We hebben ze betaald en meegenomen. Maar we zijn er nooit meer terug geweest.