‘Gek op sjukula!’: jeugdherinneringen aan opa’s verboden rumbonen

Nieuws
Onweerstaanbaar...
Onweerstaanbaar... (Foto: Aangeleverd)

OOSTZAAN - Je kent ze wel, de Jamaicaanse rumbonen in een doosje. Als ik ze zie liggen, koop ik ze. En als ik thuis kom en ik maak dat mooie, blauwe doosje open, liggen ze te ‘wuppen’ om opgegeten te worden. Dat gebeurt dan ook en binnen de kortste tijd is het doosje leeg. Wanneer ik dan zo van die verrukkelijke bonen zit te genieten, moet ik denken aan vele jaren geleden…

Als mijn opa jarig was, kreeg hij zeker vijf à zes doosjes rumbonen, met minimaal achttien bonen per doosje. Deze rumbonen gingen dan zijn kastje in en dan zei hij: ”Sijmpie, zeun, hier moeije van of blijve. Dut is niet goed voor je, zeun, je wordt er beroerd van als je er tevuul van vreet!”

Hij wist dat ik, ‘gek op sjukula’ was, zoals hij dat zei, en dat ben ik nog steeds. Het heeft ook geen enkele zin om het voor me te verstoppen, want ik ‘reuk’ dat er chocola is en ik ‘reuk’ ook waar het ligt.

Wanneer ik op de markt loop en ik zie van die echte truffels liggen met chocola erop, koop ik een ons of drie. Thuisgekomen, zet ik thee en ga achter mijn computer zitten om een verhaaltje te schrijven. Ondertussen stop ik zo nu en dan een truffel in mijn mond, met een slok thee erbij. En dan ineens zijn ze op, drie ons truffels in nog geen half uur. 

We hadden het over rumbonen en ik mocht dus niet in opa’s kastje komen. Maar ja, als je nog een kind bent, doe je dat toch! Het was zomer en een week na opa’s verjaardag. Ik was bij oma en opa was aan het werk bij de Schafte aan de overkant. Oma zei: “’Sijmpie zeun, ik mot effe nee Ab Heijn.” (Dat was het eerste winkeltje van Albert Heijn in Oostzaan.) Voordat ze ging kreeg ik een hele preek dat ik nergens aan mocht komen.

“Zal ik niet doen, oma, ga nou maar.” Oma weg en ik zat binnen.

Tja… daar zat ik dan in de keuken, te wachten tot oma terug kwam. Ik zat daar maar te niksen en dacht: weet je wat, ik ga stiekem in opa’s kastje naar de rumbonen kijken. Alleen dat plaatje al, die man met die ezel en het vaatje. Dat is toch mooi om te zien!

Zo gezegd, zo gedaan. Ik deed het deurtje open, zag links de doosjes met rumbonen staan en Ik dacht: ik zou er wel één lusten! Maar opa had gezegd: “Niet aankomen!”

Toch doen! Ik pakte het middelste doosje, deed het open en… daar lagen ze, netjes naast elkaar, in vier rijtjes van zes. Ik pakte er één, deed ‘m in mijn mond en proefde de chocola. Dan kwam de suiker met de rum erin en dan laten smelten. Heerlijk, echt waar! Ik nam er nog één en nog één tot er nog drie over waren en ondertussen maar naar buiten kijken of oma er al aankwam. Ik dacht: nou moet ik niet meer hebben en zette het doosje terug in het kastje. 

Gelijk hoorde ik oma aankomen en gauw ging ik naar de keuken op de stoel zitten. Oma kwam binnen en zei: ”Ben d’r weer, heb je je netjes gedragen?”

“Ja, oma, ik heb niks gedaan, alleen maar gezeten en gekeken of u er aankwam.”

“Goed zo, zeun! Heb je nog ergens aangezeten?” 

“Nee, oma.”

“Nou, dan heb je wel een koetjesreep verdiend!”

En die koetjesreep had ik nou net niet moeten eten, want ik werd me toch duizelig en misselijk!

Oma zei: “Wat is er, zeun?”

“Oh, oma, ik voel me zo beroerd!”

“Neem maar een slok water en ga effe op me bed liggen en probeer wat te slapen.”

“Goed, oma.” En ik ging op opa’s plek liggen.

Inmiddels was het zes uur en opa kwam thuis om te eten. Hij zal zeker gevraagd hebben: “Waar is dat joch?”, want dat vroeg hij altijd. En oma zal gezegd hebben: “Hij leit in ons nest, hij is beroerd.”

Opa kwam de slaapkamer binnen en vroeg: “Wat is er met je, zeun?”

“Opa, ik voel me zo beroerd en duizelig.” 

“Hoe komt dut?” 

“Dat weet ik niet, opa, ik zie alles draaien!”

Tja, en toen moest ik het toch zeggen. “Opa, ik heb van je snoepies gepikt, die in dat blauwe doosje.”

“Dat is niet mis, zeun. Ik heb je nog zo gezeit, deer mot je vanof blijve.” 

“Maar opa, ze zijn zo lekker!” 

“Ja, dat begrijp ik, d’r zit drank in. Lust er wel pap van! Maar hoeveel heb je d’r op?” 

“Weet ik niet opa, d’r liggen er nog drie in.”

Opa begon te lachen. Hij stond op, ging naar oma en zei: ”Leet hum maar liggen, hij is een bietje dronken.”

De volgende dag sprak opa me er op aan en zei tegen me: “Dat was niet netjes wat je gusteren u daen hebbe…, maar ik zal je geen straf geven, dat heb je al gehad.”

Dronken op je negende jaar, hoe verzin je het, maar het was wel zo. Ik heb het ook nog vele malen moeten aanhoren… “Zeun, wil je ook nag een rumboontje, smaken goed, hoor!”

“Nee opa, dank u wel.”

Als ik dan een doosje rumbonen koop en ik zit er van te genieten, kijk ik even naar boven en zeg: “Opa, wat was ik beroerd hè, van die eenentwintig rumbonen!”

Siem Meijn en Sonja Duba

Meer nieuws uit Oostzaan?

Ontvang de laatste updates per mail —

Volg ons op:

Heb je ook een nieuwtje? —

Deel dit bericht:

Meest gelezen


Lees hier de laatste editie

Agenda