Toid

In de dialecten van oostelijk Nederland wordt de mooie uitdrukking ‘oet (of uut) de tied ekomn’ gebruikt voor ‘overleden zijn’. Ook in het Westfries bestaat dit gezegde, namelijk: uit de toid weze.


Sommige mensen hebben alle tijd, ze haasten zich niet en blijven plakken. Van zo iemand wordt gezegd: hai heb de toid, hai komt van Hoorn. Op z’n toid betekent ‘van tijd tot tijd’ maar ook ‘af en toe’. Je magge ‘m op z’n toid wel d’rs opzoeke. ‘Om deuze toid’ houdt in: omstreeks deze tijd of in deze periode. De troin moet om deuze toid ankommen. ’t Is om deuze toid altoid harstikke drok.


Met ‘azze we toid van leven hewwe’ wordt bedoeld: als ons de tijd wordt gegund, als we het mogen beleven. En gelukkig de mens die zegt: ik hew toid zat (meer dan genoeg tijd).

Zeker vroeger was er voor veel zaken een vaste tijd. Dat gold in de eerste plaats voor kinderspelletjes. Zo was het ineens knikkertoid, hinkeltoid of bochthipperstoid (touwtje springen). Daarnaast sprak men onder meer van skoômakerstoid, kerktoid, kermistoid, bollepelderstoid (tijd waarin de tulpenbollen gepeld werden), plokkerstoid (fruitplukkerstijd) en vroegopperstoid (tijd waarin men heel vroeg opstaat om aan het werk te gaan).


In mijn eerste boek Een are koik staat dit gedichtje over tijd. Het boek verscheen in 1996, dus 24 jaar geleden. Mijn mens, waar blijft de tijd?


Toid

De toid is as zand

’t glist deur je hand

eerst loikt ’t zô’n berg

maar den, zonder erg,

is ’t zommaar weer vort

en… kom je toid tekort.


Bron: Westfries Woordenboek,

Jan Pannekeet