
Column Marcel van Stigt: Ajax-hart
ColumnHoe dichter we de Johan Cruijff Arena naderden om de eredivisiekraker tussen Ajax en Willem II bij te wonen, hoe platter mijn tongval werd. Tenminste, het viel mijn zoon op dat ik na elke stap steeds Amsterdamser ging praten.
Ik nam dit zonder meer van hem aan. Als rechtgeaarde Amsterdammer én Ajax-fan begint mijn witte hart met rode verticale streep steeds onstuimiger te kloppen als ik er alleen al aan dénk dat ik straks in het stadion zit. Volgens mij versnel ik ook onbewust mijn pas. Nog even bij mijn zoon checken of dat klopt.
Ik volg alle wedstrijden van Ajax. Ook de laatste Europese ontmoeting met het intrieste FK Qarabag heb ik gezien; ik liet er zelfs bij hoge uitzondering mijn wekelijkse sportuurtje voor schieten. Achteraf had ik me beter in het zweet kunnen werken, want ondanks de afgetekende winst van 0-3 was het spel van Ajax van een onthutsend laag niveau. Maar goed, het is en blijft Ajax.
Een enkele keer regel ik twee kaarten om een thuiswedstrijd samen met mijn zoon live mee te kunnen maken. Wie de tegenstander is, maakt me niet uit, als Ajax maar wint met enkele wonderschone doelpunten. Maar het gaat me niet alleen daarom. Ik kom ook voor de sfeer in het stadion en de kippenvelmomenten aan het begin. Het ‘Bloed, zweet en tranen’ van André Hazes – Senior, niet Junior, dit even om verwarring te voorkomen – dat door het stadion schalt, gevolgd door de ‘Ajax Marsch’ met authentieke tekst.
Een paar jaar geleden werd ook het oer-Amsterdamse ‘We Hebben Een Woonboot’ gedraaid; ik kreeg dan de sterke drang om én bij mijn zoon aan de ene kant én bij de wildvreemde Ajax-fan aan de andere kant in te haken en gezellig heen en weer te wiegen, in de hoop dat het gehele vak meedoet. Deze meedeiner mogen ze wat mij betreft opnieuw invoeren.
Een uur vóór de aftrap tegen Willem II zaten we al op onze stoelen. We houden er niet van om ons op het laatste moment langs een rij knieën te moeten wurmen, maar willen vooral alvast de sfeer proeven. De wedstrijd zelf was weer uiterst saai. Oké, Ajax kwam al snel op voorsprong, met dank aan Davy Klaassen – niet zomaar officieel benoemd tot ‘Mister 1-0’. Daarna viel er bitter weinig te genieten.
Eensgezind klaagden we op de tribune in onversneden Amsterdams over het stroperige spel. Veerden massaal geschrokken op toen een inmiddels traditionele blunder in de achterhoede bijna tot een geheel onverdiende tegenstreffer leidde. Begroeven ons gezicht vertwijfeld in onze handen toen Brobbey opnieuw twee opgelegde kansen miste. Applaudisseerden voorzichtig voor de inspanningen van de eerder nog zo bekritiseerde Anton Gaaei. En juichten na het laatste fluitsignaal met zijn allen. Opgelucht vanwege de krappe winst.
Mooie belevenis weer, maar toch... Terug wandelend naar het metrostation dacht ik terug aan het jochie dat, in de aanloop naar de aftrap, de bal 1045 keer hooghield. Hopelijk staat deze jongen over enkele jaren met rugnummer 9 in de spits en maakt hij de kansen wél af.