
SNOEKGOED II
Op mijn vaders werkkamer hing jarenlang een krantenbericht met de kop: ‘Snoek bijt visser: 14 hechtingen’. Onderwater kijken ze mij, of ze nu vier of honderdveertig centimeter lang zijn, ook altijd eerst laatdunkend aan met een blik van: ‘Ik ben de baas van de sloot hoor!’
Maar als ik dan toch dichterbij kom vinden ze die snorkelaar opeens toch wel groot en best eng, dus óf ze schieten pijlsnel weg, óf ze zwemmen langzaam zijlings van me weg met een blik van: ‘Ik ben de baas van de sloot, maar ik moet nu toch even ergens anders iets gaan doen...’
Algen worden gegeten door waterluizen. Waterluizen worden gegeten door vissen. Vissen worden weer gegeten door snoeken. Maar vorige eeuw gooiden we ons zoete water zo vol met fosfaten en meststoffen, dat algen massaal gingen groeien, zodat het water te troebel werd voor snoeken om vissen te kunnen vangen, waardoor de overvloed aan vissen bijna alle waterluizen opvrat, zodat algen nog harder konden groeien.
Afijn, het werd een onevenwichtig zootje en bijna al ons zoete water was zo helder als erwtensoep. Toen we stopten met het door het riool spoelen van (wasmiddel-)fosfaten werd het beter.
Maar pas toen een groot deel van de waterluis-vretende vissen werd weggevangen en snoek werd uitgezet werden veel wateren opeens on-Nederlands fris en helder en kon uwer Groene Jeroen opeens in veel meer wateren op snoekenjacht. En als je dan voorzichtig nadert kom je soms zo dichtbij ‘de vis der vissen van het Neerlands zoete water’ dat je ze zou kunnen aaien, wat ik dan voor de zekerheid dan toch maar niet doe.
In een Frans bergmeertje zwom ik eens over een gezonken boomstam heen totdat ik besefte dat het een rustende ‘brochet énormément’ was. Na met open mond te hebben liggen kijken kon ik mezelf niet bedwingen, dook ik onder en ging ik vlak achter de onbeweeglijke en minstens hondervijfentwintig centimètres lange schoonheid liggen.
Voorzichtig en héél langzaam pakte ik toen haar staartvin tussen twee vingers beet. Ze schoot toen zo ongelofelijk snel weg dat ik niet eens zag welke kant ze op ging.