Afbeelding
(Foto: Adobe Stock)

Kerstverhaal

Het licht zien

Gijs schoof wat takken opzij en voelde onder de struik. Dat klaaglijke gepiep leek daar vandaan te komen... ja! Daar zat een klein verzopen katje! Met enige moeite kon Gijs het diertje naar zich toe halen. Hij tilde het op en stopte het een beetje onder zijn vest. "Ach beestje, kom maar hoor, ik neem je mee naar huis, dat vindt moeder vast wel goed!" Hij moest er bijna zijn, het huis met de mooie oude lantaarnpaal ervoor… Gijs liep verder in de avondschemering.


Met één hand hield Pien haar jas dicht, terwijl ze met de andere de boodschappentas droeg. Balen van die kapotte rits, het was koud met die gure wind. Maar ze kon mama blij maken, ze had best veel kunnen vinden waar al korting op zat. En net buiten de supermarkt, gewoon op straat, lag zomaar een zakje kerstkransjes! Van die grote met spikkels, die mama te duur vond. Iemand was ze vast verloren, maar hé, zij had ze eerlijk gevonden!


Casper had zwaar de pest in. Hij viel nu al een tijdje in op de Eikenhof, en ook daar leed de zorg onder personeelstekort, maar dit kon toch echt niet! Hij moest die arme man zien te vinden voor er ongelukken gebeurden. Zo ver kon hij toch nog niet zijn? Hij rende het parkje uit en tuurde links en rechts de donkere straat in.


Mara keek uit het raam of ze Pien al aan zag komen. Ze had er een beetje spijt van dat ze haar 11-jarige nu nog naar de Lidl had gestuurd, maar met een huilende baby van een paar weken, geen vaders in beeld en teveel december voor haar geld, was er wel meer om zich zorgen over te maken. Nog geen Pien te zien... In de schemering zag ze wel een man over straat schuifelen. Bij elke lantaarnpaal bleef hij even staan, keek hij omhoog, en daarna om zich heen. Misschien was hij het licht ook een beetje kwijtgeraakt. Mara hevelde Jesse over op haar andere arm en liep al wiegend maar weer een rondje.


Pien had het koud en kreeg steeds meer haast. Met een gebogen hoofd tegen de wind sloeg ze de hoek om en botste tegen iemand op. Het laatste hengsel van de tas scheurde en alle boodschappen rolden over straat. "O nee he! Jeetje meneer, ik…" Terwijl ze de spullen verzamelde zag ze de man een beetje zenuwachtig om zich heen kijken, terwijl hij sussende geluidjes maakte, tegen iets onder zijn vest. "Wat heeft u daar? Oh, een poesje! Wat schattig! Is die… van u?" Pien vond de man een beetje raar. Hij had niet eens een jas aan. "Zoekt u iets meneer?" "Ja, mijn huis... het moet hier ergens zijn! Mijn moeder... ze wacht op mij." "O…" Pien dacht even na. Dit was best gek. Hoe kon die oude man nog een moeder hebben? Zou hij, net als opa Jan... "Nou eh.. kom maar even mee, ik woon vlakbij. Dan eh... bellen we uw moeder wel!" "Ja, ja Rietje, dat is goed" mompelde de man, en hij schuifelde naast Pien gewoon weer mee terug naar waar hij vandaan was komen lopen.

"Hee, wacht even!" hoorde Pien ineens een stem, en ze keek om. Een man kwam aangerend. "Meneer de Koning, daar bent u! Kom, u gaat lekker met mij mee!" Maar zo makkelijk gaf Gijs het niet op. "Ik moet naar huis, naar mijn moeder. Ik ga met Rietje mee en, en..." Hij pakte Piens arm vast en ineens liepen er tranen over zijn wangen. "Ik woon daar", knikte Pien naar het eind van de straat "Misschien…" Casper zuchtte. "We moeten echt terug, maar, nou ja, als we zo lopen komen we er ook. Zal ik die tas even van je overnemen? Dan brengen we jou thuis en lopen dan door."


Hé, de bel? Mara stond op met Jesse tegen haar schouder. Pien was toch niet weer haar sleutel kwijt? Door het melkglas zag ze in het tegenlicht van de lantaarn drie silhouetten, en ze deed open. Eerst hoorde ze een katje mauwen, zijn kopje uit het vest van een oude man, die de hand van haar dochter stevig vasthield. Die hield stralend een zak kerstkransjes voor zich uit, terwijl er naast haar nóg een man stond, met een brede grijns, haar boodschappentas in zijn armen. Hij had prachtige ogen.

"Ik geloof.. dat ik hier woon", zei de oude man zacht. Ik hoop zo dat ík het poesje mag houden, dacht Pien. Jesse was ineens stil. Casper en Mara staarden elkaar aan. Die zeiden even niets.


Michelle Mos