Januari 1956, een koudegolf bereikte ons land.
Januari 1956, een koudegolf bereikte ons land. (Foto: Oudheidkamer Oostzaan)

‘Ik zei: “Opa, ik heb het koud”’

Nieuws

OOSTZAAN - Het was eind januari 1956, een koudegolf bereikte ons land en het was bitterkoud. Het vroor een graad of zeven en de eenden liepen op een harde ondergrond. Er moest nodig gestrooid worden. Als de beestjes op de bevroren grond een ei legden, dan kon dat weleens stuk gaan. En altijd had je er van die eigenwijze eenden bij die niet in het binnenhok legden, maar juist buiten.

Ik was negen jaar en woonde nog op het Spoorpad. Het was ‘sterverskoud’ en ik moest iedere dag lopend naar de Kerkbuurtschool. Als ik dan langs oma kwam, ging ik me daar even opwarmen. Dan stond ik met mijn handen voor de kachel en begonnen mijn vingers te tintelen. En dat deed zo zeer, wel een paar minuten lang!

Oma zei: “Je moet hier maar slepe blijve.” Maar of ik nou op het Spoorpad sliep of in de ‘Kattehoek’, het was boven even koud. Als ik wakker werd, lag er ijs van mijn adem op de dekens. Maar het scheelde wel een hele loop en ik kon langer slapen, dus sliep ik de hele winter bij mijn oma en opa.

Opa zei tegen me: “Sijmpie, zeun, ga jij der us effe nee (naar) de Kerkbuurt en vraage of ze morgen tien baaltjes stro kenne brengen.”

Ik op de fiets naar de Kerkbuurt. Maar er was geen stro te krijgen en ik fietste weer terug naar de Schafte, de melkfabriek, waar opa aan het werk was. Hij stond net de ketel op te porren en zei: ”Effe wachten, zeun, effe dut doen.” Hij haalde de porder uit de ketel, legde hem weg, en terwijl hij de keteldeur dicht deed, zei hij: “Be je nag in de Kerkbuurt geweest?”

“Ja opa, maar er was geen stro.”

Even was het stil…

“Wanneer is er weer?”

“Dat weet ik niet.”

“Nou, dan moeten we maar wat aars (anders) regelen. Ga je vanmiddag effe mee nee het Weerpad? Nee het eten?”

“Ja, is goed.”

Maar na het eten moest hij eerst een dutje doen, dus na het dutje naar het Weerpad. We kwamen bij de boerenplaats, stapten van de fiets af en liepen de worf (erf) op. We zagen iemand lopen en opa vroeg of we wat riet van z’n land mochten halen. Hij vertelde het hele verhaal, dat er geen stro was en dat het zo niet verder kon.

Het was geen probleem en na het brood eten, want we aten ‘s middags warm en ‘s avonds brood, zei opa: “We gaan strakkies riet maaien, met z’n drieën.”

“Dat is goed.” Het woord ‘nee’ bestond nog niet. Je ging gewoon. Mijn ome kwam de worf op en opa zei: ”We gaan!”

We hadden zo’n grote slee met een brok touw eraan. Mijn ome en ik trokken aan het touw en opa liep erachter. Het vroor zo’n acht tot tien graden en met een noorderwindje erbij was het lekker koud. Het was wel een mooie avond en de maan scheen helder. Ik zei: ”Opa, ik heb het koud!”

“Mooi, zeun, ken je je strakkies warm werken!”

“Nou, dat kwam goed!”

Opa ging riet maaien en mijn ome en ik haalden het bij elkaar en legden het dwars op de slee. Zo hebben we een paar sleeën vol naar de worf gebracht en er een beltje (hoopje) van gemaakt. Opa keek tevreden. We hadden genoeg en we konden de boel opruimen. Mijn ome ging naar huis en binnen maakte oma warme ‘sjukulademelk’.

Opa zei: ”Morgenmiddag, als je uit school komme, kenne je wel effe wat hokken gaan strooien.”

“Maar er is geen stro, opa.”

“Wat we net gehaald hebben, moet gestrooid worden.”

“Oh, dat.”

Mijn ‘sjukukademelk’ was op en ik kon naar boven in bed. Het was er ijzig en er lagen wel vijf dekens op het bed, maar ze voelden puur koud. Rillend van de kou viel ik in slaap. De volgende ochtend riep oma dat ik eruit moest, want ik moest naar school. Naar school, over land en zand. 

Uit school gekomen, ben ik eerst een paar hokken gaan strooien, dan eten en daarna weer naar school. Toen ik weer was thuisgekomen, was opa bezig met strooien. Ik heb geholpen om het af te maken. Toen we klaar waren, keek hij tevreden en zei: ”Zo, zeun, kenne de beesies weer gnap lopen!”

En ondanks de ijzingwekkende vrieskou en het harde werken, was er weer een dag vol tevredenheid voorbij.

Siem Meijn en Sonja Duba