
Snoepgoed met zure nasmaak
NieuwsOOSTZAAN - Het briefje van twee gulden vijftig, die papieren rijksdaalder, kan ik mij nog heel goed herinneren, want dat was mijn eerste, echt verdiende geld. Het was 1960 en ik was veertien jaar.
Ik was bij mijn opa in het ketelhuis en daar kwam ome Joop binnen. Hij begon, zoals gewoonlijk, met een ouwehoerverhaal. Toen hij daarmee klaar was, zei hij tegen opa: ”Zeg, zou die jongen op zaterdag niet een paar centen willen verdienen?”
“Dat moe je aan hum vragen, het zijn niet mijn centen.”
Dus vroeg ome Joop aan mij: ”Simon, zou je zaterdag mee willen gaan met de melkrijder, om lege flessen op te halen in Landsmeer en Oostzaan?”
Ik keek opa aan en vroeg: ”Wat levert dat op?”
“Een knaak.”
“Niet meer?”
“Nee, niet meer en het is van één uur tot een uur of vijf.”
“Oh, dat is goed.” En hij vroeg gelijk aan opa of die het ook goed vond.
“Tuurlijk, dan hoef ik niet op hum te letten, dat hij weer wat aan de hand haale in het veld. Krijgt hij te minste de veldwachter niet achter zijn kont an.” Ja, dat gebeurde nog wel eens als ik in het veld was.
“En issie mooi van de weg af. En werken is goed voor hum!”
Gelijk had hij! Als je niets te doen hebt, gebeurt er altijd wel iets wat je eigenlijk niet zou willen.
‘Krijgt hij te minste de veldwachter niet achter zijn kont an’
Het was zaterdag en ik ging mee lege flessen op halen. Na enen vertrokken we met de melkauto en we begonnen op de Oostzanerdijk en dan zo Landsmeer in. De wijk kan ik nog wel dromen als ik door Landsmeer ga. Dan zie ik in mijn gedachten de kratten met flessen nog staan bij de mensen op het erf.
Als laatste reden we door de Adriaan Loosjesstraat naar Oostzaan. Ook daar moesten we de lege flessen ophalen. En als we dat hadden gedaan, waren we klaar en ging het ‘op’ naar de melkfabriek.
Het zal na vijven geweest zijn dat we daar aankwamen. We stapten uit en liepen de fabriek binnen. Daar kwam ome Joop al. Hij vroeg: ”En? Ging het goed?”
“Ja hoor, ging goed.”
“Ik hoor dat je je best hebt gedaan. Hier heb je je knaak. Maar, zou je nog wat willen doen?”
“Scheelt veel wat?”
“Zou je die wagen even willen lossen?”
“Voor niks zeker?”
“Nee, hier heb je nog een knaak.”
Goh, dacht ik, heb ik voor de hele middag twee vijftig verdiend en nu voor de wagen lossen nog eens twee vijftig.“ En ik vroeg meteen: ”Volgende week weer?”
“Ja, ja, het is wel goed met je. Voor de wagen lossen heb ik je alleen vandaag nodig.”
Dus pech gehad. Dan alleen maar flessen ophalen.
Ondertussen had ik twee knaken gekregen en die lagen te wuppen in mijn zak. Eigenlijk wilde ik het meteen uitgeven, want het moet toch ook weer niet te lang in je zak zitten. Nu was er bij mijn opa aan de overkant een kruidenierswinkel. Daar verkochten ze veel snoep en snaaiwerk. Ik er heen. Kom ik daar, wilden ze net gaan sluiten, maar ik mocht toch nog even verder komen.
“Wat wil je, zeun?”, Vroeg de kruidenier.
“Ik wil wat snoep uitzoeken.”
Ik zocht het lekkerste bij elkaar, vooral chocola, want daar was ik gek op.
De kruidenier bekeek het eens en vroeg: ”Heb je wel zoveel geld bij je?”
“Ja, ik heb net verdiend bij de Schafte.” En ik pakte een knaak uit mijn broekzak en betaalde. Verlekkerd liep ik met het gekochte snoeigoed de winkel uit, regelrecht naar mijn opa, die nog aan het werk was bij de Schafte.
“En?”, vroeg opa. “Wat heb je nou verdiend?”
“Vijf gulden!”
“Vijf gulden?”
“Ja, ik heb de wagen ook nog gelost en daar kreeg ik ook een knaak voor.”
“Nou, leet maarderes zien.”
Ik pakte mijn geld uit mijn zak en hij zei: “Is dit alles?”
“Ja, dit is alles.”
“Maar, je had toch vijf gulden?”
”Ik ben naar de kruidenier geweest en heb dit gekocht.”
Nou, dat had ik nooit moeten doen, zoveel snaaiwerk kopen. Ik kreeg meteen de wind van voren, daar op dat bankie in het ketelhuis. Of ik nou helemaal besodemieterd was om mijn geld zo over de balk te smijten en er snaaigoed voor te kopen en hoe ik het in mijn hoofd haalde om mijn geld klakkeloos te verspillen aan die zoete rotzooi. En dat hij in zijn jonge jaren met vier kinderen, midden in de winter met z’n blote poten in zijn leerzen (laarzen) riet stond te maaien, omdat hij geen cent te makken had om kousen te kopen.
‘Nou, dat had ik nooit moeten doen, zoveel snaaiwerk kopen’
Opa had wel gelijk. Ze moesten heel hard werken voor hun centen en dan hadden ze er ook nog als hobby al die eenden en kippen bij. Die moesten ook vreten en ik gaf zomaar geld uit aan snaaiwerk.
Er werd wel eens tegen mij gezegd dat ik van al dat geld wat ik versnoeid had een hele boerderij had kunnen kopen. Maar dat ging me toch wat ver. Daar dacht ik wel over na. Want dan hadden die mensen van die winkel waar ik het had uitgegeven, ook een boerderij kunnen kopen. En die hadden ze niet.
Om vroeger te overleven, moest er keihard gewerkt worden voor weinig geld. In slechte tijden was het armoe troef en als je niet werkte, had je niet te eten. Zo was het voor iedereen in die tijd. Ze kregen het niet voor niets.
Siem Meijn en Sonja Duba