
Column Marcel van Stigt: kale kanarie
ColumnDierendag is afgelopen zaterdag geruisloos aan mij en mijn vriendin voorbijgegaan. We waren de hele dag een beetje uithuizig en het is er niet helemaal van gekomen extra aandacht aan poes Coos te geven. Ik geloof dat ze het wel best vond. Ik heb in de ochtenduren, toen ik haar brokkenbakje met regulier voer vulde, nog wel iets van een vragende blik waargenomen, maar meer ook niet.
Eigenlijk vind ik het een wonderlijk fenomeen, een dier in huis nemen. Het maakt meteen een wezenlijk onderdeel van het gezin uit en je gaat je er enorm aan hechten. Het onherroepelijke afscheid hakt er altijd stevig in.
Naast Coos heb ik zo bij elkaar in het gezelschap verkeerd van vijf katten, drie honden, drie goudvissen en twee kanaries.
De kanaries stammen van heel lang geleden. Het was in mijn jeugd en ze waren van mijn oudere broer. De één heette Bruno, en nadat die was overleden, maakte hij plaats in de kooi voor Pedro. Veel te beleven met hem viel er niet. Hij zat wat ineengezakt op zijn stokje en veranderde amper van houding. Af en toe hupte hij landerig naar het andere stokje, draaide zich om en hupte weer terug.
Op een zeker moment begon hij de veertjes op zijn koppie te verliezen, totdat hij geheel kaal was. Mijn jongere broer noemde hem ‘Badmuts’. De oorzaak was onduidelijk. Gezond zal het echter niet zijn geweest, want kort daarna liet hij het leven.
Toen ik op mezelf ging wonen, kocht ik drie goudvissen. De kom waarin ze huisden zette ik prominent op het dressoir. Ze heetten Herman, Huub en Hugo. Ik vond het leuk om ze een naam te geven, maar moet eerlijk bekennen dat ik ze amper uit elkaar kon houden. Hoewel, dat is niet helemaal waar. Een van de drie – ik vermoed Hugo – hield zich wat afzijdig. Hij leek er niet helemaal bij te horen, of was gewoon graag op zichzelf. Wat voor mensen geldt, geldt ook voor dieren. De één is sociaal, de ander solitair.
Hugo zwom in zijn eentje heen en weer, terwijl zijn twee komgenoten standaard samen optrokken. Zodra het tweetal de eenling passeerde, bleven ze stug voor zich uit staren. Ik proefde een wat gespannen sfeer.
Soms zwom Hugo recht op de glaswand af, stootte zijn neus, schrok en schoot weg. Om daarna exact hetzelfde te doen. Niets geleerd. Herman en Huub zagen het op een afstandje gebeuren, keken elkaar aan en wisselden een korte blik van verstandhouding uit.
Op een zwarte dag trof ik Hugo ‘s ochtends drijvend op zijn rug aan. De twee anderen keken stoïcijns een andere kant op.
Het zal altijd een raadsel blijven wat zich in de kom heeft afgespeeld.