Afbeelding
(Foto: Rodi Media/MvS)

Onze poes bracht een muis mee – en dat was nog niet alles

Column

Gerammel aan de tuindeur deed me even opkijken van mijn krant. Het was een vertrouwd geluid: poes Coos die het houtwerk beklimt en via de andere kant in de tuin belandt. Deze keer was ze niet alleen. In haar bek zat een muisje. 

Met vijf grote, snelle stappen was ik bij de openstaande zijdeur en sloeg hem dicht. Een essentiële reflex. Het zou niet de eerste keer zijn dat onze poes haar trofee ergens in huis verstopt, die we pas vinden als er ergens onder een bank of achter een vaas iets begint te smeulen. 

Haar meest recente prooi nam ze, nadat ze was geschrokken van mijn flitsende reactie, snel mee over de tuindeur om op de carport aan haar speelkwartiertje te beginnen. Zodra de muis, die ook niet van gisteren was, niet bewoog, bewoog Coos ook niet. Ze bleef op een paar decimeter afstand zitten en hield de muis scherp in de gaten. Af en toe stak ze een pootje uit om hem uit te dagen. 

Hoe het avontuur is afgelopen, laat zich raden. Toen ik later met mijn auto weg wilde lag het muisje zéér dood naast een achterwiel. 

Wie een kat of poes in huis haalt en die buiten laat lopen, weet wat de consequenties zijn. Zelf heb ik het al eerder meegemaakt.   

Ik heb in een klein dorpje in een landelijk gebied gewoond. Een paradijsje voor grote kat Sjors en kleine kat Beertje. Beertje heeft zich eens door het kattenluik gewurmd met overdwars een duif – bijna net zo groot – in zijn bek. Die was al dood, dus deze ongemakkelijke entree heeft hij niet meer mee hoeven maken. 

Ik heb eens een enorme dode rat onder het bed van mijn dochter vandaan gehaald toe ik haar een welterustenkusje uitdeelde. “Pap, er ligt een dode rat onder mijn bed”, zei ze. “Ja hoor, het zal wel”, reageerde ik in eerste instantie sussend.  

Vers in de herinnering ligt nog de kievit die op hoge poten binnen kwam rennen met Sjors achter zich aan. De vogel vluchtte mijn werkkamer in en verschanste zich achter de computerkast. Met veel beleid en geduld heb ik Sjors naar boven richting slaapkamer gejaagd en de vogel met behulp van een bezem met zachte drang naar buiten begeleid. Die loopt nu nog steeds ergens verdwaasd met een trauma rond.  

Een andere vogel had minder geluk. Sjors huppelde een keer vrolijk via de tuindeur de keuken binnen met een spartelend koolmeesje in zijn bek. Ik heb de deur naar de gang dichtgetrokken om hem in de keuken te houden en heb maar even discreet de andere kant op gekeken; zelf vind ik het ook niet leuk als ik tijdens het dineren word aangegaapt. Van het koolmeesje bleef weinig over. Eigenlijk alleen wat veren en zijn kopje. De verbijstering stond nog in zijn ogen af te lezen.