
Column Marcel van Stigt: Trouwe klant
NieuwsJe zult toch maar begin twintig jaar zijn en graag op jezelf willen wonen. Herkenbaar? Vast wel. Wat ook heel herkenbaar zal zijn: dat het niet lukt. Voor een huurwoning sta je tegenwoordig járen in een lange wachtrij, een koopwoning ligt ver buiten je financiële bereik - áls je al een geschikte woning kunt vinden. Mijn dochter weet daar inmiddels ook alles van. Al haar pogingen lopen tot nu toe op niks uit.
Eisen heeft ze niet. Ze hoeft geen tuin, geen dakterras, geen grote kamers. Een woning ter grootte van een bezemkast zou ze al fantastisch vinden. Desnoods slaapt ze rechtop.
Als ze maar lekker op zichzelf kan wonen. Een gezonde ambitie.
In mijn tijd - pakweg dertig jaar geleden - ging dit allemaal een stuk makkelijker. Passieve luiwammes die ik was achtte ik pas rond mijn vijfentwintigste de tijd rijp om het huis uit te gaan. Het was snel geregeld. Eerst kon ik de huurwoning van mijn oudere broer overnemen en een aantal jaren later de huurwoning van mijn jongere broer. In beide gevallen was ik qua rangnummer gewoon aan de beurt. Allemaal heel legaal en volkomen eerlijk dus.
Beide broers lieten het meubilair achter. Dat kwam me niet slecht uit. Ik was in die tijd (en eigenlijk nog steeds) strontmakkelijk en vond het allemaal wel best. Nu hoefde ik dus geen meubilair te regelen. Mooi zo. Dat scheelde weer een hoop gedoe. Hoe het er verder binnen uitzag, maakte me niet uit. Al waren de muren beplakt met bloemetjesbehang of gesausd in zuurstokroze tinten, ik had het gewoon zo gelaten.
Overigens viel het met het interieur allemaal erg mee.
Koken was wel een dingetje. Dat beheerste ik niet en ik had weinig lust me hierin te verdiepen. Zeker toen ik in de woning van mijn jongere broer terechtkwam was dat nog best een gemiste kans. Er was een riante keuken en de muur was voorzien van twee rijen planken met een lengte van vijf meter boven elkaar. Ideaal om daar bijvoorbeeld een reeks pannen, oplopend van groot tot klein, royaal gevulde weckpotten, een bont assortiment kruiden en soorten olie of een rij speels geordende kookboeken neer te zetten. Ik had het allemaal niet in huis. Maar wat moest ik met die planken? Even heb ik overwogen er een deel van mijn enorme verzameling cd’s op te rangschikken of desnoods mijn onderbroeken, T-shirts en bolletjes sokken. Daar heb ik echter van afgezien. En dus bleven die planken onbenut.
Hoe ik dan mijn avondeten regelde? Wel, ik had zowaar een wok. Eens in de twee weken mikte ik daar wat olijfolie, groenten en kipfilet in – dat lukte nog wel – maar daar bleef het bij. Ik deed vooral goede zaken met pizza- en spareribslijnen en ook bij de Chinees was ik een trouwe, zeer gewaardeerde klant.
“Nasi goreng speciaal?”, werd er breed lachend geroepen zodra ik binnenkwam. “Ehh, ja’’, zei ik dan.
En van de pizzakoerier kreeg ik bij mijn bestelling ooit een fles Chianti cadeau. “Omdat ik zo’n goede klant was”, zei hij erbij.
Het besef groeide langzaam, maar zeker: volgens mij was ik niet zo gezond bezig.