
Een oude bekende in Amsterdam
NieuwsOOSTZAAN - Het was 1960, ik was dertien jaar en na lang zeuren mocht ik een keer mee met de chauffeur van de Schafte naar Amsterdam. Siem was de zoon van Ham, de vriend van mijn opa. Ik moest om vijf uur bij de melkfabriek zijn, maar ik sliep toen bij mijn oma en opa en zij woonden daar schuin tegenover. Mijn opa was stoker bij de Schafte en moest er ook om vijf uur zijn, dus hoorde ik die ochtend onder aan de trap roepen: ”Het is tijd!”
Hij riep maar één keer en als je bleef liggen, was het je eigen schuld als je te laat kwam. Dan had je pech, moest je maar eerder je nest uitkomen. En… hij had gelijk!
Ik stapte mijn bed uit, waste mijn gezicht een beetje, kleedde me aan, pakte het brood dat oma voor mij had klaargemaakt en liep naar de Schafte. Dat was maar twee minuten lopen. Over de Kuiperijbrug, bij de ingang van de Rimboe, stond de vrachtauto al geladen en klaar om te vertrekken. Ik meldde me bij Siem en die zei: “Zo, ben je daar?”
Toen kreeg ik eerst een preek over wat wel en wat niet mocht en mijn opa deed er nog een schepje bovenop. “ Als je verrrdomme niet luistert, dan ben ik nog niet klaar met je!” Ik was nou eenmaal dertien en een beetje eigenwijs.
De bijrijder kwam uit Zuid-Holland en was in de kost in Oostzaan. Met Siem achter het stuur, ik in het midden en de bijrijder rechts van mij, reden we naar Amsterdam, richting de Lindegracht. Door de Zuid, toen liep er nog een sloot aan de rechterkant, dan de dijk op links, bij het Laatste stuivertje rechtsaf, dat was een kroeg en benzinepomp, de Hagedoornweg op, links naar de van der Pekstraat en zo richting de pont. In die tijd mochten er nog auto’s meevaren op de pont.
De chauffeurs kregen daar altijd voorrang. Ik begreep toen niet waarom. Later wel. Ze gaven de schippers echte koffieroom gratis en dan mochten ze als eersten de pont op.
Eenmaal op de Lindegracht aangekomen, gingen we naar het koffiehuis. En na een paar bakken koffie en wat bijpraten met andere melkrijders, ging ieder naar zijn eigen wijk om de melk uit te venten. Ik kreeg de opdracht om te blijven zitten, of naar buiten te gaan, als ik maar goed uitkeek.
Siem had als melkwijk het centrum van de stad. Nadat alle melk was uitgevent, gingen we weer terug naar het koffiehuis om ons brood op te eten, met een paar koppen koffie erbij en gewoon een beetje slap te ouwehoeren. Daarna gingen we de lege flessen en kratten weer ophalen bij de melkboeren.
We kwamen bij de melkboer op de Stromarkt en deze had een hele grote melkwijk en ook nog een winkel erbij. Daar stond Harry bij zijn melkkar, Siem en de bijrijder stapten uit en ik mocht er ook uit. Het was nog vroeg in de ochtend, een uur of elf en Siem zei tegen mij: “Sijmpie, zie jij dat huis daar met die stoep? Daar zitten twee vrouwen en daar moet jij effe naar zwaaien!”
Ik was dertien, hè! Ik liep naar dat huis, ging staan zwaaien en die vrouwen zwaaiden terug. Toen kwam een van de vrouwen naar beneden. Ze had niet veel kleren aan en dat viel me wel op. Ze zei: ”Waarom stond jij zo te zwaaien?”
“Dat moest ik van de chauffeur.”
En ze zei: ”Kom, pik, geef mij maar een hand.” (Ik wist van niks hè, laat dat duidelijk zijn.) We liepen hand in hand naar de melkauto en ze vroeg aan Harry: ”Heb jij gezegd dat hij moest zwaaien?”
Maar Harry zei: ”Ik niet.” En toen tegen Siem: ”Zeg, jullie komen toch uit dat dorp met die drijfsijsies? Moest hij soms van jou zwaaien?”
Maar Siem zei: ”Nee hoor, niet van mij, ik ben getrouwd!”
Waarop de vrouw antwoordde: ”Dat zijn de meeste mannen die bij mij op bezoek komen.” En ze liep weer weg. De heren lachten zich een scheur, maar ze waren wel jaloers dat ik met de dame hand in hand had gelopen.
Jaren later, ik was toen negenentwintig, werkte ik in de stalen ramen en deuren. Mijn baas had een klus in Amsterdam bij een groot hotel, op de hoek van het Kattengat en de Spuistraat. (Het Kattengat is het verlengde van de Stromarkt.) Wij moesten daar deuren en brandluiken afmonteren. Nu was er op de gangen in het hotel niet zoveel ruimte. Daarom monteerden we buiten zoveel mogelijk op de auto af en deden binnen de rest, zodat we niemand in de weg liepen. Terwijl we bezig waren, kwam er een man naar ons toe en hij begon te praten, zo van: ”Gaat het, jongens?”
En wij: ”Ja hoor, prima!”
En hij: ”Ja, ik ben jarenlang lasser geweest, maar nou doe ik niks meer en ik woon daarboven.”
Ondertussen gingen wij gewoon door en hij zei: ”Oh, daar komt Toos aan. Kennen jullie Toos?”
Wij weer: ”Nee, kennen we niet.”
“Nou, Toos heeft zoveel geslikt dat…”
Toos begon te praten en vertelde dat ze nog een raam had aan de Singel. Ondertussen kwam ze dichterbij en ook bij de wagen staan en zei tegen de man: ”Sta je weer over me te lullen?”
“Ik zeg net tegen ze: daar komt Toos aan en die heeft zoveel geslikt, dat de PTT er een kabel mee kon aanleggen, van hier naar New York.” Waarop Toos misprijzend antwoordde: ”Hoor hem, bijgoochem, veel verder Amerika in hoor!” Die Toos, we kwamen niet meer bij.
De melkzaak op de Stromarkt was er nog en ik had die man verteld dat ik daar zo’n zestien jaar geleden ook kwam. En dat vertelde hij tegen Toos, waarop zij vroeg: ”Is dat zo?”
“Ja, ik ging vaak mee met de chauffeurs van de melkfabriek.” Ze zei: ”Kom es van die wagen af.”
Nou moet ik zeggen, ze had niet veel aan, maar ze zag er best nog aardig uit. Ik stapte van de wagen en ze zei: ”Kom, we gaan effe naar de melkboer.” Ik dacht, als mijn baas maar niet komt, dan ziet hij me lopen met een vrouw van lichte zeden en wordt jaloers. Ze gaf me een arm en we liepen naar de winkel van de melkboer. Ik zag Harry bij de grote melkkar staan, groter dan zestien jaar terug. We liepen op hem af en ze vroeg: “Zeg, Har, ken jij deze man?”
Har zei: “Nee, nooit gezien.”
We gingen naar binnen en daar stond de moeder van Harry achter de snijmachine. Toos vroeg aan haar: ”Ken jij deze jongen? “En zij zei ook: ”Nee, nooit gezien.”
“Hij kwam hier vroeger met de melkauto.”
De moeder van Harry keek me aan en vroeg: “Met wie kwam je dan?”
“Nou, ik kwam met Siem en de bijrijder.” Ze keek nog eens, begon te lachen en zei: ”Krijg nou wat, ben jij kleine Siempie?”
“Ja, dat ben ik.”
Ze begon te praten, waarop Toos meteen zei: ”Dat doe je straks maar.”
We liepen naar buiten, naar de overkant van de straat, richting de Singel en we stonden stil voor een groot huis met een grote trap naar boven en Toos zei tegen me: ”Hier stond jij te zwaaien naar me, weet je dat nog?”
“Ja, dat weet ik nog.” En verder dorst ik niks te zeggen…
“Maar dat was ik dus…. Toos!”
Ze gaf me weer een arm en begon te vertellen dat ze nog steeds een raam had en dat het nog liep ook! En ik maar hopen dat die ouwe niet zou komen, want ik liep daar toch maar met een dame van plezier. We gingen naar haar raam op de Singel en ze zei: ”Kijk, hier zit ik nog drie, soms vier dagen in de week.” En ik denk dat ze toen vijfenzestig was! Zegt ze: ”Je toetert maar als je weer eens langs komt. Maar als de gordijnen dicht zijn, niet doen! Want als ik bezoek heb, en het is iemand op leeftijd, dan schrikt hij en dan duurt het nog langer!”
Dat was even lachen. We liepen weer gearmd richting de auto en ik kon verder gaan met mijn werk. Toos woonde daar, boven de man die met ons kwam praten.
“ En?”, vroeg Jantje, met wie ik werkte. “Was het leuk?”
“Oh Jan, heel leuk!”
Een paar dagen later reden we weer langs de Singel naar huis. Het gordijn was dicht… maar toch… toeteren! Dat moest ik later wel aanhoren, dat werd me op z’n Amsterdams even meegedeeld. Dat ze dat deed? Ik lag in een deuk!
Wat een tijd!
Siem Meijn en Sonja Duba