
De onvergetelijke Luilaknacht uit 1960
NieuwsOOSTZAAN - Ik was dertien jaar en ik woonde in de nieuwe buurt van Oostzaan. Het liep tegen Luilak en met een paar leeftijdgenootjes wilden we een grote fik maken. Gusie, Japie en ik, andere namen weet ik niet meer, haalden allerlei rotzooi op en dat mochten we bij de ouders van Guus, in een leeg kippenhok neerleggen.
We gingen alle huizen langs om te vragen of ze kranten of iets anders hadden om in de fik te steken en zo kwamen we van de Dr. de Boerstraat op het Stijfselmakerspad terecht. We hadden al best veel, en toen we bij Cees kwamen, zei deze: ”Loop maar effe mee.”
Achter zijn huis lag een hele berg ouwe fietsbanden. Cees wees ernaar en zei: ”Dat mogen jullie hebben.”
We keken elkaar aan en vroegen verbaasd: “Alles?”
“Ja, alles. Maar ik wil er wel vier autobanden voor terug.”
Dat was de deal! Cees vier autobanden en wij al die fietsbanden. “Maar Cees, wat moet jij nou met vier autobanden?”, was onze vraag.
“Die haal ik door de midden voor de beschoeiing. Dan kan mijn bootje er tegenaan liggen.”
Met een geleende handkar hebben we vele malen heen en weer gereden van het Pad naar de Boerstraat. Maar dat gaf niks, het was voor een goed doel, voor Luilak! Toen de banden in het kippenhok lagen, kon er niets meer bij. We hielden het hok goed in de gaten, want als er ook maar iemand even naar keek, dachten we al meteen dat ze het gingen stelen. We hadden genoeg! Een bankstel, stoelen en andere rotzooi, veel oude kranten, autobanden en een hele partij fietsbanden. Maar waar moesten we nou die fik maken?
Guus z’n vader wist raad, het mocht op de zuidkant van hun eilandje, daar waar nu de botenclub is. Maar we moesten wel toestemming aan de burrie gaan vragen en dat deden we. Die vond een fikkie stoken wel goed.
De donderdag voor Luilak brachten we zoveel mogelijk naar het eiland en vrijdags de rest en ‘s avonds tegen tien uur was het klaar. Naar bed gaan deden we niet, want stel je voor dat anderen het in de fik zouden steken. Dus slapen was er die nacht niet bij.
Mijn grote vriend, de plaatselijke veldwachter, kwam ook kijken. Hij zag het eens aan en vroeg: ”Weet de burgemeester hiervan?”
“Ja, we hebben het zelf aan hem gevraagd.”
“Ook dat het zoveel is?”
“Ja, ook dat het zoveel is.”
Dat geloofde hij niet en gelijk had hij. Het liep al gauw tegen middernacht, tijd om het spul aan te steken. De veldwachter en de brandweer kwamen erbij om de boel in de gaten te houden. Dat had de burgemeester geregeld en aangezien we toch dat grote bankstel hadden staan, gingen ze daar in zitten en kijken.
Klokslag twaalf uur ging de boel in de hens. In het begin was er niet zoveel aan de hand, maar na een half uur moest de bank zeker twintig meter verzet worden, zo warm werd het. De lucht was zwart van de rook en fikken dat het deed. Af en toe mochten we er wat op gooien en inmiddels was het een uur of half vier. Het werd al wat lichter in de verte. De fik werd ook minder, maar het bleef wel erg warm. De veldwachter en de brandweerman zaten heerlijk op de bank weg te dommelen en het scheelde niet veel of ze gingen onder zeil.
Eigenlijk hadden we het wel gezien en wilden we van het eiland af om naar de Kerkbuurt te gaan. Daar was ook een vuur op de kruising. Maar, hoe kregen we dat voor mekaar? We vertelden de veldwachter dat we nog wat troep gingen halen en dat vond hij best. Eerst gingen er een paar andere jongens met een jol over, maar die kwamen niet meer terug. Nu wij nog! Er was echter wel een probleempje, want er lag nu nog maar één jol. En wat was er inmiddels gebeurd? De veldwachter en de brandweerman waren in slaap gevallen, en dat kwam ons heel goed uit.
Voorzichtig, zodat de heren niet wakker zouden worden, voeren we met de jol naar de overkant. Dat lukte ons aardig en het was maar te hopen dat ze bleven doorslapen, want nu konden ze niet meer van het eiland af. In de Kerkbuurt was ook een beste fik en we voegden ons bij de meute. En tegen iedereen die het horen wilde, vertelden wij de hilarische grap, dat onze dorpsveldwachter samen met een brandweerman nog op het eiland zaten.
Ondertussen moest de fik in de Kerkbuurt ook groter en met nog een autoband erop en wat benzine uit de Solex van Jan, sloeg de vlam er goed in. Even later kwam de brandweer en die vond het maar niks, wat daar op de kruising gebeurde. Omwonenden begonnen nu ook te klagen, want wat denk je, met zo’n houten huis op vijf meter afstand van het vuur! Dus was het gedaan met de lol en de fik moest uit. Wel hoorden we de brandweer zeggen dat ze de veldwachter misten. Maar ja, we zeiden natuurlijk niks.
Het was zo tegen halfzeven in de ochtend toen we uit elkaar gingen en naar huis. Later hoorden we dat de veldwachter en de brandweer door de broer van Guus van het eiland zijn afgehaald. Wat zal onze dorpsveldwachter de pest in gehad hebben!
Zo’n Luilaknacht als die van 1960 heb ik nooit meer meegemaakt. Wat een nacht en wat een fik!
Siem Meijn en Sonja Duba