Deze ijzige winter was een regelrechte ramp voor de eendenhouders.
Deze ijzige winter was een regelrechte ramp voor de eendenhouders. (Foto: Oudheidkamer Oostzaan)

Herinnering aan de ijzige winter van 1963

Nieuws

OOSTZAAN - De winter van 1963 was zo streng dat er in de Zaanstreek, zo ook in Oostzaan, een vorstschade was van zo’n 750 miljoen gulden. Het was de koudste winter van de vorige eeuw en op 5 maart 1963 kwam er pas een einde aan. Veel sneeuw was al weggesmolten en het ijs, op sommige plekken wel 70 centimeter dik, begon ook te smelten. 

Er was veel vissterfte, want door de extreem lange vorstperiode waren de vissen opgesloten onder het ijs. Misschien probeerden ze nog om weg te komen, maar wegens gebrek aan zuurstof hadden ze massaal het loodje gelegd. Deze ijzige winter was ook een regelrechte ramp voor de eendenhouders in Oostzaan.

In de Westplas was een groot wak gemaakt en daar zaten veel vogels. Ze werden bijgevoerd door de dorpsagent en anderen. Vastgevroren dieren gingen dood en soms konden ze gered worden. In een ongebruikte ruimte in Oostzaan werden wel honderd verzwakte waterhoentjes die vast zaten opgevangen. Ze werden weer losgelaten toen de winter voorbij was.

Eendenhouders moeten vaak strooien, maar er was geen stro, dus werd er riet gemaaid in het veld. Dan kon er toch nog wat gestrooid worden in de binnenhokken. Voor de buitenhokken had het geen zin, want daar lag de sneeuw veel te hoog. Het was zwaar en de weersomstandigheden waren erbarmelijk, maar alles voor de eenden!

Drie maanden lang vroor het achtereen elke dag, maar eindelijk viel de dooi in en zo nu en dan stapte m’n opa op het fietsje en reed naar de Rimboe. Ik wist nooit waarom. Hij zei dan: ”Let effies op, ik moet nee de Rimboebrug.”

“Waarom, opa?”

“Ach zeur niet, dat hoor je nog welderus.”

Het duurde ook nooit lang, want na tien minuten was hij alweer terug.

“U ben weer snel trug, opa, wat hebbe u daen?”

Nogmaals: ”Dat hoor je nag welderus.” En ik dacht alleen maar: wat zal het zijn?

Het was zaterdagmiddag en we zaten bij opie koffie te drinken. M’n ome was er ook en opa zei: ”Morgen gaan we vissen.”

“Opa, waar gaan we vissen? In de Ringvaart? Maar ligt er dan geen ijs meer?”

“Nee, het is zo goed als weg!”

“Heeft U dan wel hengels voor ons?”

“We gaen niet met hengels, maar met een schepnet dooie vis vangen, voor de eenden. Het BM’etje moet effies leeg gehoost worden en morgen, op een gnappe tijd, gaan we.”

“Hoe laat is dat opa?”

“Zodra het licht wordt.”

Ik keek m’n ome aan. Het zal wel, dacht ik en ik denk dat m’n ome ook zo dacht.

We gingen het BM’etje leeg hozen voor de volgende dag en opa legde er twee schepnetjes in. Ik zei: “Opa, we komen een schepnetje te kort.” Waarop hij zei: “Je denke toch niet dat ik ga scheppen? Ik geef wel aanwijzingen!”

Oh, dacht ik, dat wordt weer feest met veel schelden en tekeergaan. Het was wel jammer dat ik niet kon stappen, want ik moest vroeg op. Maar ach, ik had het er wel voor over, het was voor m’n opa.

Die zondag waren m’n ome en ik er vroeg bij. Opa stond al te wachten en zei: ”Jullie zijn gnap op tijd!” We pakten de buitenboordmotor uit het schuurtje, liepen ermee naar het BM’etje, dat achter de worf (erf) lag en maakten hem aan de boot vast. Twee trekkies en hij liep. Hij had toch dik een half jaar niet gelopen! 

We voeren naar de Roemersloot onder de Kuiperijbrug door, richting de Ringvaart. Dan rechts de Twiskebrug onderdoor en zo naar de Westplas. Hier en daar lag nog een beetje ijs en ik dacht: “Dat wordt een koud klussie!”

En toen we halverwege de Ringvaart kwamen, lagen ze daar. Allemaal morsdood. Ze dreven op en onder elkaar en niks bewoog. Ik had nog nooit zoveel dooie vissen bij elkaar gezien! 

Opa stopte de motor en zei: “Schep ze maar in het bootje!”

M’n ome en ik begonnen met scheppen en opa gaf aanwijzingen. Hij had nog niet gescholden, dus het ging nog naar zijn zin. Tot ik een verkeerde opmerking maakte. Het BM’etje heeft een kielkast en ik begon water te zien. Ik zei tegen opa: ”Er komt water in de kielkast en zometeen komt het in de boot!”

En toen was het raak! Waar ik het vandaan haalde om me ermee te bemoeien en dat hij zelf wel uitmaakte tot hoever we konden gaan met scheppen! We moesten dus doorgaan en ik had me toch een paar kouwe klauwen! Maar zeuren was er niet bij en toen riep hij plotseling: “Stoppen!”

En toen kwam het. M’n ome en ik moesten het stuk touw, dat hij had meegenomen, aan de boot bevestigen en op het dijkie gaan lopen en trekken. En opa zat lekker op het doffie (bankje) te genieten met een shaggie in zijn mond. En maar roepen naar ons: “Kenne jullie niet harder trekken? Het valt me weer teugen! Harder!”

We konden mopperen wat we wilden, maar dat had geen zin. We trokken ons het leplazarus en hij zat lekker! We kwamen bij de Roemersloot en moesten dus naar de overkant. Dat ging maar net. We liepen op het land van de Schafte, zonder touw, en opa voer heel zachtjes naar huis met die volgeladen boot met stinkende vis.

M’n ome en ik stonden al achter aan de worf, toen opa daar aankwam en we kregen meteen de eerste opdracht. We moesten het bootje naar het pufschuurtje trekken, want daar stond de pufmolen, waar de puf (visafval) in werd gemalen. Dat was om de dooie dood niet gemakkelijk, want het was een droog slootje met maar net 30 centimeter water erin en opa bleef gewoon op het doffie zitten! 

Bij het schuurtje stonden een paar teilen en daar ging de vis in. Zo zijn we nog twee keer naar de Ringvaart gevaren. En opa is nog een keer in de Roemersloot wezen vissen, want daar lagen allemaal dooie karpers. Eindelijk zat het erop en m’n ome ging naar huis. Opa vroeg: “Moet jij nag weg vemidug?”

“Nee opa.”

“Dan kenne je mooi hellepe met vis malen.”

We gingen eerst een koppie thee drinken bij opie en daarna vismalen. Dat heb ik geweten. Het werd één grote stankpartij! Er waren kleine en grote vissen en snoeken die nog een weerhaak in de bek hadden met een stuk snoer eraan. En zelfs twee met een dobber tussen hun tanden. Dus moesten we goed opletten, voordat we gingen malen.

Opa gooide de vis op de pufmolen en ik moest het in de molen doen. En goed uitkijken voor je klauwen, dat ze er niet tussen kwamen. Toen we klaar waren konden we meteen de eenden voeren.

Opa zei: ”As we dut effies met z’n tweeën doen, dan benne we gauw klaar!”

En zo gebeurde het en ik zag er niet uit. Overal zat bloed en spetters etter van rottende ingewanden. Het was zo goor en ik stonk als de pest. Maar, alles voor opa! Zo hoefde hij geen puf of vis te kopen voor de eenden. Dat spaarde weer uit. Er werd ook vis bewaard in een schuitje. Dat was een houten punter die vol gegooid werd met water en dan ging de overgebleven vis erin. Zo bleef het nog een tijdje goed.

Of ik er slechter van ben geworden, van al dat werk? Nee hoor. Vooral van het samen doen heb ik een hoop geleerd. Dan kom je heel ver.

Siem Meijn en Sonja Duba