
Column Marcel van Stigt: Doodsangsten
ColumnDe gemeente Landsmeer is zo vriendelijk om in het lokale sportpark een schommel te plaatsen. Voor de jeugd, maar ook voor volwassenen. Want het stimuleert bewegen en bewegen is nu eenmaal gezond, vooral als de jaren gaan tellen.
Hartstikke leuk en lovend, dit initiatief. Nu loop ik als redacteur met Landsmeer als werkgebied ook wel eens rond in dat sportpark, maar de aanvechting om eens lekker te gaan schommelen, die zal niet bij mij opkomen. Zeker niet nu er zoveel herinneringen aan mijn jeugdjaren opdoemen.
Laat ik het maar gewoon stellen zoals het is: gezwier en gezwaai, daar is mijn maag niet tegen bestand. Ooit stond ik tijdens een gymles met mijn schoenen in de ringen en hield ik me met beiden handen krampachtig vast aan de touwen. Een medeleerling met wie ik een koppel vormde mocht me duwen. Bij voorbaat kreeg ik het Spaans benauwd.
Even heb ik nog overwogen om hem te vragen het een vooral rustig aan te doen, gewoon een paar klein duwtjes. Maar met een grote tegenwoordigheid van geest bedacht ik net op tijd dat een dergelijk verzoek een averechts effect zou hebben. Niet te hard duwen - zoiets moet je aan een balorige tienerjongen tijdens een gymles natuurlijk nooit vragen; dat is hetzelfde als een pyromaan een doosje lucifers geven en hem vragen niets in de brand te steken.
Mijn verzoek heb ik ingeslikt, maar evengoed toonde de jongen geen enkele vorm van genade. Steeds harder en harder duwde hij. Net als de andere leerlingen die in de ringen stonden zwaaide ik met volle vaart door het luchtruim. Maar waar zij daar bijzonder van genoten, stond ik doodsangsten uit. Het kostte me tien volle minuten voordat ik, eenmaal met tollende benen weer op de vloer, een beetje was bijgekomen.
Sowieso voelde ik graag vaste grond onder mijn voeten. Daarom had ik aan touwklimmen ook al zo’n hekel. Wel was ik daar, tot mijn grote verbazing, best bedreven in. Onderbeen om het touw draaien, een deel als stijgbeugel gebruiken en me dan halve meter voor halve meter naar boven werken. Dat ging me gemakkelijk af. Maar al snel dacht ik: ja maar... straks hang ik helemaal boven. En dan? Ja? En dan? Ik wilde niet het risico lopen dat ik mezelf snel naar beneden zou laten glijden, met als gevolg brandwonden aan handen en dijen. Dus begon ik maar wat te schutteren en acteerde ik een kluns die de aangereikte klimtechniek maar niet onder de knie wist te krijgen.
Het wandrek. Ook zoiets. Helemaal naar boven klauteren, eroverheen stappen en via de andere kant weer naar beneden. Verschrikkelijk. Toch moest het ergste dan nog komen. Apenkooien. De gymleraar zette allerlei toestellen neer en wees een tikker aan. Eén keer was het mijn beurt. Ik werd geacht allerlei toeren uit te halen, ook op het wandrek, maar de leerlingen hoefden niet al te veel moeite te doen om weg te komen. Ik bakte er niets van. Zelden heb ik zo voor aap gestaan. Maar daarna hoefde ik nooit meer tikker te zijn. Dat was dan weer het voordeel.