
Column Marcel van Stigt: ‘Ome Joop’
ColumnNa de film The Salt Path in Studio/K in Amsterdam-Oost liep ik met mijn vriendin rechtstreeks de zon in. Het was buiten tot onze verrassing zomers warm. En dus zochten we onze toevlucht tot het terras van het nabijgelegen restaurant Het Badhuis waar we konden napraten over het prachtige, onderhoudende verhaal, met daarbij een ferm glas witbier en een portie bitterballen.
Een bijzonder vlotte en vriendelijke bediening viel ons ten deel, en alles ging in het Nederlands, wat tegenwoordig in de Amsterdamse horeca verre van vanzelfsprekend is.
Maar daar gaat het nu even niet over.
De naam van het restaurant verwijst naar de bestemming die het pand ooit heeft gehad. Inderdaad, het was een badhuis, en daar kon je – je raadt het al - baden en douchen.
Voor mij is het dan maar een kleine stap om mijn vroegere zwemlessen boven water te halen. Dat waren nogal spannende avonturen.
De lessen werden vanuit school geïnitieerd. Eens in de week stapte ik met mijn klasgenoten in een bus en reden naar het Sportfondsenbad in Amsterdam-Oost. De angst zat er goed in. Dat had alles te maken met een van de zwemleraren.
Het waren er twee. De ene was bijzonder aardig, de ander in het geheel niet. Het zou zomaar kunnen dat André van Duin zijn creatie Ome Joop op hem heeft geïnspireerd. De man leek me het origineel: kaal, zwarte borstelsnor en –wenkbrauwen, permanent boze blik en doorlopend snauwend.
Met ingehouden adem wachtte de klas bij aankomst af wie van de twee de deur opende en de les zou verzorgen. Was het nummer één, dan ging er door de gehele groep een siddering van verlichting. Was het ‘Ome Joop’, dan werd het doodstil.
Eng vond ik dat zwemmen sowieso. Gedurende de les steeg het waterpeil en op de avond die ik voorafgaande aan de les in mijn bed doorbracht vroeg ik me bijna radeloos af hoe dat nou moest als ik op de bodem stond en het water tot boven mijn hoofd zou stijgen. Maar eigenlijk wilde ik daar liever niet aan denken.
Om de kinderen door het water te begeleiden gebruikte de zwembeul een lange stok met ijzeren haak. Die zat bij het borstzwemmen hinderlijk onder mijn oksel en bij het rugzwemmen om mijn nek.
Maar het ergste nog vond ik het verplichte van de kant af springen. Dat durfde ik niet, maar die man kende geen genade. Wie aan de kant stond te dralen, werd door hem opgepakt en in het water gegooid. En dat een paar keer achter elkaar.
Eén keer ben ik vóór de les op de gladde tegels uitgegleden. Daarbij stootte ik mijn knie hard tegen een muurtje. Hinkend en huilen meldde ik me bij hem. Zwemles zou niet lukken, jammerde ik, want ik had te veel pijn. Hij toonde de compassie van een Duitse kampbewaker in de Tweede Wereldoorlog. Ik moest gewoon meedoen.
Zou hij zelf vader van een gezin zijn geweest? Of een opa met kleinkinderen? Dat vraag ik me ineens af. Misschien was hij privé wel heel aardig en helemaal niet zo streng. Ik kan het me nauwelijks voorstellen.