
Gepakt door de Grüne Polizei; herinneringen aan de oorlog van Jan Derlage
NieuwsOOSTZAAN - Ik was zeven jaar toen de oorlog begon en ik hoor nog hoe het afweergeschut klinkt en de laag overvliegende vliegtuigen die van Engeland op weg waren naar Duitsland. Je lag te schudden in je bed. Pas als de Tommies voorbij waren gevlogen kon je weer slapen.
We woonden aan het begin van het Zuideinde, nog voordat het Amsterdam werd, vlak bij de Oostzanerdijk. De moffen hadden een nederzetting op het Hogeland bij Tuindorp met een afweergeschut, waarmee ze geallieerde vliegtuigen beschoten. Ook hadden ze grote zoeklichten, waarmee ze ‘s nachts de richting en afstand van vijandelijke toestellen bepaalden.
Razzia’s
Mijn oudere broer moest naar Duitsland. Als er razzia’s kwamen, verstopte hij zich onder een grote, oude stolpboerderij. Die stond hoog, op palen, en daar onder was genoeg ruimte om je te verbergen. Ik was nog klein en ik mocht buiten lopen en dan waarschuwde ik mijn broer en de buurman van de overkant, als ze er aankwamen. Dan doken ze onder tot het sein ‘veilig’ was en dan kwamen ze weer voor de dag.
Bang om te verzuipen
Dat was een angstige tijd met die razzia’s. Ze gingen van huis naar huis om mannen te zoeken die in Duitsland te werk konden worden gesteld. Ze pakten er altijd wel een paar. Maar er waren ook mannen die het veld in vluchtten. Daar konden de moffen ze niet vinden. Ze wisten van al dat water en gingen er niet in. Ze waren bang om te verzuipen, want polderland waren ze niet gewend in die Heimat.
Voetballen op straat
Als kind was ik veel buiten in het eerste oorlogsjaar. Toen konden we nog voetballen op straat. Later werd het moeilijker. Het was een vervelende tijd en het werd steeds moeilijker om aan eten te komen. Vader was poelier en hij had veel Joodse klanten in Amsterdam. Hij kocht de kippen op de markt in Purmerend en vier keer per week ging hij met zijn bakfiets vol handel naar Amsterdam. Het werd steeds minder en het werd lastiger om aan handel te komen. Toch heeft hij de Joden zo lang mogelijk van kippen voorzien.
Gemarteld
Op een dag kwam hij niet meer terug. Hij was gepakt door de Grüne Polizei en zijn handel was in beslag genomen. Ze hadden hem naar de Euterpestraat in Amsterdam-Zuid gebracht. Daar was het hoofdkantoor van verschillende Duitse Politie eenheden. De straat was berucht door de meedogenloze manier waarop arrestanten werden ondervraagd en mishandeld. Verzetsstrijders werden daar opgesloten en in de kelder werden mensen gemarteld.
Er kwam een overvalwagen van de GP voor de deur en ze kwamen vragen waar mijn vader de spullen vandaan had. Maar moeder wist het niet. Dat waren spannende momenten, maar ‘s avonds kwam vader gelukkig terug met zijn lege bakfiets. Ze hadden hem alles afgenomen.
Jonge jongens
Bij de Kolkslootbrug zat ook een garnizoen moffen voor de bewaking. Ze hielden in de gaten wie en wat er in en uit het dorp ging. Dat waren gewone soldaten, jonge jongens die geen keus hadden en in dienst moesten.
Na de oorlog ging vader weer elke donderdag op de bakfiets met kippen naar Amsterdam. Daar kwam hij bij een Joodse familie die de oorlog had overleefd. Ze hadden in Friesland ondergedoken gezeten. Dat kleine Joodse vrouwtje had al een kop warme thee klaarstaan en dan zei ze: ”Boertje, kom maar binnen.”
Ansichtkaarten
Later gingen mijn vrouw en ik wel eens bij haar op bezoek. Haar man zat in de ansichtkaarten. En hij zei altijd: “Als je je geld niet meer kan verdienen, koop dan een koffer met ansichtkaarten en ga de winkels langs!” En dat klopt, want overal staan nog rekken met ansichtkaarten en ze worden nog steeds verkocht. Hij had gewoon een vooruitziende blik en als ik die rekken zie, moet ik altijd aan hem denken.
De markt in Purmerend
Soms komen de jeugdherinneringen aan de oorlog ineens weer naar boven. Zo ging vader op de fiets naar Hoogwoud en Aartswoud om eten te halen. Hij kende de handelaren die daar woonden, van de markt in Purmerend.
Toen ik onlangs samen met mijn dochter in de auto naar Zwaag ging, zei ik plotseling: ”Hier reed mijn vader op zijn fiets in de oorlog!”
Ik ben nu 92, maar dat raak je nooit meer kwijt.
Jan Derlagen en Sonja Duba