Ans Koch
Ans Koch (Foto: Aangeleverd)

Bij Ons in Amsterdam: Ans Koch

Amsterdam 750

AMSTERDAM - Ooit was er een Amsterdam waar nog geen supermarkten bestonden en waar je nog een geit in de Wibautstraat kon laten grazen. Opgetekend uit de mond van Ans Koch, geboren in 1934 en getogen in Amsterdam, voor de podcastserie Bij Ons in Amsterdam. Ans woonde jarenlang in de Graaf Florisstraat, maar haar laatste jaren woonde ze in Oostzaan. “Ja, de Wibautstraat... Dat was een grote zandvlakte met wat gras en daar zetten we ’s morgens onze geit aan een touw. Daar bleef hij de hele dag, daar kon hij eten.”

Deze kleine geschiedenis over de Weesperzijdebuurt gaat terug naar die tijd van Ans Kochs jeugd. De Weesperzijde lag destijds niet in Amsterdam, maar in de gemeente Nieuwer-Amstel. Het was een enorm groot gebied dat tegen Amsterdam aan lag. Er zijn nog sporen van de gemeente Nieuwer-Amstel te vinden in de Derde Schinkelstraat in Amsterdam West en in de Van Baerlestraat. Op het hoekje daarvan, aan het Museumplein, staat nog een oude brandweerkazerne annex politiepost met op de gevel het wapen van Nieuwer-Amstel. En het Concertgebouw is eind negentiende eeuw gebouwd op, wat toen nog, het veenlandschap van Nieuwer-Amstel was.

Amsterdam wilde uitbreiden, maar de annexatie van Nieuwer-Amstel ging bepaald niet zonder slag of stoot. Vanaf 1877 werd hierover gelobbyd in Den Haag. Het gemeentebestuur van Nieuwer-Amstel was tegen en er zijn behoorlijke statements gemaakt om hun standpunt kracht bij te zetten. Zo werd in 1892 nog een nieuw raadhuis voor de gemeente Nieuwer-Amstel gebouwd, uitdagend tegen de toenmalige grens van Amsterdam aan, ter hoogte van de Tolstraat aan de Amsteldijk. Het mocht echter niet baten: in 1896 werd een heel groot deel van Nieuwer-Amstel geannexeerd, van zuidwest tot zuidoost. Daar werd veertig jaar later, in de Weesperbuurt, Ans Koch geboren.

Het is bespottelijk zoveel broeken als ik heb voor die paar dagen dat ik nog leef.

Het team van Bij Ons in Amsterdam spreekt Ans in haar woning in Oostzaan. Haar logeerhondje ligt op de bank. Het valt direct op dat Ans van kleurige kleding en make-up houdt. Haar kleding is van eigen hand. Ze maakt nu nog hoofdzakelijk broeken, ze heeft er genoeg, zegt ze. “Het is bespottelijk zoveel broeken als ik heb voor die paar dagen dat ik nog leef.” Ze gniffelt. Haar liefde voor kleur en stijl is altijd al bovengemiddeld geweest. Ze weet nog dat er vlak na de oorlog kleding verkocht werd van stoffen die in Amsterdam helemaal niet te krijgen waren. Ans hield niet van die Amerikaanse jurken, maar er was na de oorlog heel weinig aan kleding te krijgen. Er was een instelling, waar je kleding kon halen. Dat deed haar moeder, maar de jurk die zij voor Ans op de kop had getikt, wilde Ans helemaal niet aantrekken. Op een dag liep de voddenboer met een handkar door de straat. Ans’ blik werd getrokken door een gele petticoat. Ze begint weer te glimmen bij de gedachte eraan. “Dat was het, allemaal stroken, zoals een petticoat hoort te zijn. Mijn moeder heeft hem wel voor mij gekocht, ik was er zo blij mee. Als je nu eens een rock-’n-rollgroep ziet dan dragen ze die petticoats nog steeds.“

Ans deed in die tijd een opleiding tot naaister in De Pijp, zodoende naaide zij ook haar eigen kleding. “Van mijn kleine zakgeld spaarde ik net zo lang tot ik er een mooie lap stof voor kon kopen en dan naaide ik er iets leuks van, wijde rokken waar die petticoat onder kon.” Het was min of meer toevallig dat Ans op die naaischool terecht was gekomen, want ze had eigenlijk een MULO-advies gekregen waarmee ze later kon doorstromen naar een hogere opleiding, maar haar vriendin ging naar het naaiatelier en dus wilde Ans ook. “Dat vriendinnetje heeft er een week op gezeten en daarna heb ik haar nooit meer gezien, maar ik heb de opleiding gewoon af gemaakt. Achteraf gezien was het toch echt wel een rijkdom, want ik heb er goed mijn boterham mee kunnen verdienen.” Ze is blij met de beslissing die ze toen zo makkelijk nam.

Vrouwen gingen trouwen en krijgen kinderen en leren hoeft dan helemaal niet.

Ans’ vader vond het prima dat zij rechtstreeks naar een beroepsopleiding wilde. De toekomstperspectieven voor vrouwen lagen toen heel anders dan tegenwoordig. “Vrouwen gingen trouwen en krijgen kinderen en leren hoeft dan helemaal niet.” De naaischool was voor Ans een schot in de roos. Er werden aan de lopende band stukken voor C&A gemaakt. Aan de lopende band van het naaiatelier zat een oudere vrouw. Zij had doppinda’s. Dat was Ans onbekend. Doppinda’s! “Hoe zou ze daaraan komen? Misschien via de bonnen die we toen nog kregen? Maar daar besteedde moeder de bonnen niet aan.“ Ans was te verlegen om te vragen of ze er eentje mocht proeven.

Ans woonde met haar ouders, haar broertje Jan en haar zusje Trees in de Graaf Florisstraat, dat was een van de korte straatjes tussen de Wibautstraat en de Weesperzijde. Ze woonde in een mooie benedenwoning met een tuin. Vader, die aannemer was, had er een veranda in gebouwd. In die binnentuin hield het gezin verschillende dieren. Er waren kippen en konijnen en vader had als hobby postduiven, die trainde hij op zijn vrije dagen. ‘s Zondags moesten ze binnenkomen, zegt Ans. “Dan mochten wij niet in de tuin. Als er een op de rand zat dan kregen wij de schuld als die niet naar beneden kwam!” Ans kan er nog om lachen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam vader op een dag thuis met een geitje. Elke ochtend namen de kinderen het geitje mee als ze naar school liepen. Ze gingen richting de Wibautstraat, waar toen nog allemaal zand en gras lag. “Er was een spoordijk en daar zetten we dat beest ’s morgens neer met pen in de grond en een touw.” Hij moest daar zijn eten bij elkaar grazen. De Wibautstraat was toen nog geen drukke verkeersweg, zoals nu, maar een spoorweg met daarachter open land. Het geitje kon er dus rustig grazen, daar keek niemand van op. Aan het eind van de dag namen de kinderen het jonge dier weer mee naar huis. Maar de geit werd almaar groter en er werd een hok in de tuin gebouwd, maar als hij de kans kreeg liep hij zo naar binnen en vrat hij de bloemen van de tafel en van de koektrommel wipte hij zó de deksel af. Hij vrat alles was los en vast zat. “We konden niet eens meer wasgoed ophangen, de geit vrat zelfs de was van de lijn af. Hij was enigszins speels aangelegd en in een dolle bui sprong hij van zijn hok af, maar dat heeft hem zijn heup gekost. De volgende dagen lag hij zielig te jammeren. Moeder kwam oorspronkelijk uit Brabant, zij was een meer praktische omgang met dieren gewend, en op een zondagmorgen heeft ze hem geslacht. “In Amsterdam zouden ze dat niet zo gauw doen,” zegt Ans, “Maar in Brabant gingen ze toch anders om met dieren. Maar ja, er was geen dierenarts. We hadden ook honden en katten, maar als er een hond niet lekker was, dan kreeg hij een aspirientje. Dat ging zo, je wist niet beter, maar die dieren werden ook gewoon tien-twaalf jaar oud.”

De Weesperzijde was een rustige buurt. De melkboer kwam aan huis met zijn kar. Hij belde aan en vroeg wat je wilde hebben. De bestelling schepte hij met zijn maatbeker per liter uit een van de twee melkbussen op zijn kar. De bakker had een bakkersfiets met een bak met twee kleppen erop. Zijn aanbod was een stuk bescheidener dan dat van de bakkers tegenwoordig. Hij verkocht alleen maar witbrood. Gesneden brood bestond nog niet. Het werd zelfs niet eens in een zak gedaan. Als het brood op was, dan bestelde je nieuw. Hij kwam toch dagelijks langs.

Je speelde voor de deur, op de stoep. Diefje met verlos, of we ketsten met een bal op een rand of touwtje springen.

Het leven van de kinderen speelde zich grotendeels op straat af. “Je speelde voor de deur, op de stoep. Diefje met verlos, of we ketsten met een bal op een rand of touwtje springen.” De kinderen waren vrijwel altijd buiten en dat kon, want er reden immers nog nauwelijks auto’s. “Toen woonden er nog joden,” beseft Ans opeens. “Ik had in die tijd een vriendinnetje, een buurmeisje en die moeder was alleen en had op een gegeven moment geen geld meer en daarom had ze de rolschaatsen van haar dochter verkocht. Aan mijn vader! Ik kreeg ze en was er heel erg blij mee, maar wat was dat eigenlijk erg, hè... dat mensen speelgoed van de kinderen moesten verkopen!”

Het allereerste begin van de oorlog ging grotendeels aan Ans voorbij. “In het begin merkten we eigenlijk niet zoveel van de dingen die gebeurden, maar op een gegeven moment verschenen er borden bij de winkels dat joden er niet meer in mochten. Dat vonden we vreselijk. Het was zo minderwaardig!” De groenteboer, bakker en melkboer bleven bij de mensen langsgaan. “Eigenlijk mochten ze niet bij die mensen komen, maar ja het waren klanten en er mankeerde toch niets aan!” Ans en haar zus probeerden de buren te helpen door boodschappen voor ze te doen.

Ans zat nog maar net op school, toen ze verplicht werd naar een andere te gaan. Er waren razzia’s op komst. Sommige buren sloegen op tijd op de vlucht, maar niet iedereen. De naaste buren waren er nog. Ze hadden een baby en Ans was gek op baby’s. Ze kwam er maar al te graag over de vloer als de buurvrouw druk bezig was. Dan paste zij op de kleine. Maar toen gebeurde het onvermijdelijke: ook in de Graaf Florisstraat werd een razzia gehouden. Ans heeft het beeld daarvan nog voor ogen. De buren werden ook opgehaald. Buurvrouw met de baby op de borst en buurman met de koffers. “Wij stonden met z’n drieën bij de deur en toen ze langs ons heen liepen (zij met baby, hij met een koffer), fluisterde mijn moeder: geef mij die baby nou. Maar dat deed de buurvrouw niet, ze zei dat ze een huisje in Duitsland kregen en dat ze opgehaald waren om in Duitsland te gaan werken in de fabriek.”

Boven de familie Koch kwam een SS’er te wonen met zijn gezin. De kinderen kwamen er met verjaardagen over de vloer. “En dan kregen we snoep”, herinnert Ans zich. De SS’er heeft er nooit iets van gezegd dat de vader van Ans stiekem stroom aftapte uit de stoppenkast op de gang. Dat was natuurlijk verboden, maar de SS’er heeft er nooit iets over gezegd. “Sympathiek, hè?”, zegt Ans. Vader had die elektriciteit nodig omdat hij zijn werk als timmerman/aannemer vaak thuis deed.

Van die beginjaren na de oorlog herinnert Ans zich nog dat er in de bomen aan de Weesperzijde lijsten werden opgehangen met namen en adressen van de mensen die geheuld hadden met de vijand. Vrouwen die ‘fout’ geweest waren werden kaalgeschoren. Ze werden publiekelijk aan de schandpaal genageld, eerst kaalgeschoren en toen werd hun kale hoofd met rode menie ingesmeerd. “Vreselijk.” Ans keurde de manier waarop de buren voor eigen rechter speelden af, maar aan het moment dat Ans hoorde dat de oorlog voorbij was, heeft ze wel mooie herinneringen.

Ze was die ochtend gevraagd boodschappen te doen aan de Weesperzijde waar twee slagers zaten. Onderweg hoorde ze mensen roepen “De Tommy’s komen!” Ans is toen direct naar de Berlagebrug gesneld en daar stonden al die mensen te wachten. Dat was wel wat! Die legerwagens vol met mensen die erop klommen. Zij wilde ook op de kanonnen zitten, maar hoe ze ook probeerde, het lukte niet. “Achteraf gezien was dat maar goed ook, want later hoorde ik dat ze op de Dam zijn gaan schieten!”

Dat schieten op de Dam vertelde Stien Glotzbach uit Kattenburg, in een eerdere aflevering van Bij Ons in Amsterdam. Ze vertelde dat ze op de Dam stond met haar broertje toen er opeens paniek was omdat er in het wilde weg op de mensen geschoten werd. Op dat moment wisten Stien en Ans nog niet dat ze een paar jaar later buurtgenoten zouden worden, toen Ans met haar man naar Kattenburg verhuisde. Zij had haar man ontmoet op het Amstelstation, wat toen een ontmoetingsplek voor jongelui was.

Ik was gewoon bang voor die mensen. Ze deden me niks, maar die andere mentaliteit...

Die verhuizing was een hele cultuurshock voor Ans. Kattenburg was een echte volksbuurt, één grote familie. Iedereen hielp iedereen. In de buurt waar Ans vandaan kwam was het altijd ‘meneer’ en ‘mevrouw’, en ‘u’ in plaats van ‘jij’. “In de Churchilllaan zat een banketbakkerij, daar gingen de mensen uit onze buurt met handschoentjes aan gebakjes kopen”, zegt Ans. In Kattenburg was dat echt anders. “Ik was gewoon bang voor die mensen. Ze deden me niks, maar die andere mentaliteit... Voor mij was dit het eind van de wereld!” Ans durfde in het begin zelfs haar huis niet uit, ze vroeg aan haar opa of hij de boodschappen wilde doen. “Mijn opa was een periodieke drinker. Als de blaadjes komen en als de blaadjes vallen, en in de andere tijd was hij nuchter. Hij had geen eigen woning, maar woonde in bij tante Dien.” Opa deed haar boodschappen ook, en dan moest hij altijd het beste van het beste halen. Maar opa keek in de kranten waar de spullen het goedkoopste waren en dan ging hij dáár boodschappen doen. Het verschil leverde hem een zakcentje op. “Toen ik vroeg of hij ook voor mij boodschappen wilde doen, zei hij direct ja”, vertelt Ans. “Maar niet zoals bij tante Dien hoor, riep ik hem na. Natuurlijk niet, was zijn reactie.”

De pasgetrouwde Ans was een heel ander type dan de gemiddelde Kattenburger. Ze was verlegen, maar tegelijkertijd was ze een gepassioneerd liefhebster van opvallende kleding, die ze op haar naaimachine maakte. “Ik weet nog wel dat ik nagejouwd werd als ik eens helemaal pontificaal wegging. Dat waren de buurtbewoners niet gewend. Ik vond het daar zo erg! Ik kon gewoon niet mezelf zijn.” Uiteindelijk is Ans in de Zeeheldenbuurt gaan wonen, waar men ook niet op zijn mondje gevallen was. “Ik moest eens met lijn 12 naar huis en dan had je daar de sigaretfabrieken van de British en in die tram zaten die meiden ook en toen eens een conducteur een opmerking maakte, riep een van die meiden naar hem “Man, ga naar de film, daar kun je de benen van Marlene Dietrich zien!” Ans was daar zo van geschrokken, zulke opmerkingen was ze niet gewend. Ze kwam thuis en vertelde opgewonden haar moeder wat ze had gehoord in de tram. Later kwam ze erachter dat dit heel gewoon was voor die buurt.

In de Barendsstraat startte zij later een groentewinkel en daar leerde ze zich wel uit te drukken en een andere houding aan te meten. Dat hielp haar in de bedrijfsvoering van haar winkel. Ze merkte dat die mensen best heel veel warmte voor elkaar en voor haar hadden, en toen ze die omgangsvormen eenmaal onder de knie had ontwikkelde ze warme banden met haar buren in de Zeeheldenbuurt. “Daar heb ik heel lang gewoond,” zegt ze “En zelfs met heel veel plezier ondanks dat ik daar ook veel verdriet heb gehad.”

De aflevering van Ans, waarin ze haar verhaal zelf vertelt, verschijnt woensdag 16 juli in de podcast ‘Bij Ons in Amsterdam’ en is te beluisteren op alle bekende podcastplatforms (Spotify, Apple Podcasts, Podimo) of via https://podcasters.spotify.com/pod/show/bijonsinamsterdam

Barbara van Wijk