
De dubbele stuiver van Siempie
NieuwsEr zijn wel eens van die dingen, die je vroeger beleefd hebt in het dorp, die zo weer naar boven komen als je een naam hoort noemen. En dat gebeurt nogal eens bij de Oudheidkamer in Oostzaan.
OOSTZAAN - Het was voorjaar en mijn opa was bezig met het schilderen van de ‘wegen’ (muren). Er moesten drie wegen gedaan worden met groene verf en de blikken haalde hij bij de schilder in de Kerkbuurt. Nu kwam hij een half blik tekort en zei tegen mij: “Zeun, ge jij us effies nee Piet om deuze vorf te hale.”
Ik kreeg een blik mee van tien à twaalf cm hoog en ik denk, zo’n dertig cm breed. Ik op de fiets naar Piet. In de winkel kwam zijn vrouw door de deur en vroeg: “Siempie, waarmee kan ik je helpen?”
“Ik moet van opa zo’n blik verf halen in deze kleur.”
“Nou, Piet is achter, loop maar effies duur.”
Ik door de winkel naar achter op zoek naar Piet en daar zag ik hem staan in zijn schuur. Hij riep: “Wat is er, zeun?”
“Ik moet van opa zo’n blik verf hebben in deze kleur.”
“Kom maar effies hier.”
Ik achter Piet aan de schuur in. Kwam ik daar bij een grote werkbank met allemaal verschillende soorten verf erop. Die bank stond voor het raam, maar er stond ook nog een auto en daar moest ik voorzichtig omheen. Veel kwaad kon het niet, want er lagen wel zeven grote kleden overheen en die hele auto had ik nog nooit gezien.
Piet pakte een blik witte verf, want groen had hij even niet, en maakte het blik van opa open. Hij zei niets en begon verf te mengen in dat volle blik. Een beetje van dit en een beetje van dat, of een flinke scheut erbij en maar roeren tot het de goeie kleur had. Toen pakte hij een grote kwast, roerde er een beetje mee in opa’s blik en zette het op tegen de deur van zijn schuur, waar al vele kleuren op stonden. Vervolgens spoelde hij de kwast uit, pakte wat verf uit het nieuwe blik en smeerde dat ook uit over de deur. Ik stond het zo eens te bekijken…
“Het ‘rooit’ (lijkt) er nog niet erg op”, mompelde hij.
Weer deed hij er een beetje van dit en een scheutje van dat bij, roeren en op de deur smeren, maar nee, het was het nog niet helemaal. En na nog een keer mengen, roeren en smeren zei Piet: “Dit is het!”
Die Piet. Ik was verbaasd, het was dezelfde kleur groen als de verf van opa! En als je bedenkt dat ze daar tegenwoordig een mengmachine voor hebben! Hij deed de blikken dicht en ik kreeg ze mee achterop de fiets. “En de groeten aan je opa!”, riep hij me nog na.
Ik moest lopen naar opa; fietsen met twee van die blikken, dat ging niet. Straks zou er een vallen, nou, dan waren de rapen gaar!
Toen ik bij opa kwam, kon hij meteen verder met schilderen uit het nieuwe blik, want hij had de verf net nodig. Ik moet zeggen: ik zag geen verschil. En dat vond ik toch zo knap van Piet. Hij was wel schilder, maar je moet het toch maar kunnen. Zo heeft hij ook de grote kerk geschilderd, althans: de toren. Zijn naam staat op een bordje tegen de balk boven in de toren, daar waar de klok hangt.
In die tijd, ik was toen elf jaar, was er nog niet zoveel te beleven in het dorp. Op een dag zei mijn moeder dat ik maar eens naar catechisatie moest gaan. Ik vroeg wat dat nou weer was. Maar volgens haar was dat leuk en het was in de kerk op zondagochtend van half twaalf tot half één.
Ik op zondag naar de Grote Kerk. Liep de Boomstraat uit, ging de Loefstraat in en zo naar de Kerkbuurt. Toen liep de Boomstraat nog dood, want er was daar nog land. En zo kwam ik ook langs het winkeltje van Piet. Hij stond voor de deur en zei: “Waar ga jij nou heen, naar de kerk?”
“Ja, Piet, dat is een moeilijk woord, maar ik ga, want het begint om half twaalf.”
“Heb je ook nog geld meegekregen voor in de kerkenzak?”
“Ja, een dubbeltje!”
“Oh, maar dat is veel te veel voor in die zak. Je kan wel even achterom komen om wat van het blad te kopen.” Ik achterom en ik riep “Vollek!” En daar kwam Piet z’n vrouw en zei: “Ja, wat is d’r?”
“Ik kan wat kopen, zei Piet, voor vijf centen. Ik heb een duppie voor de kerk, maar dat vindt Piet te veel.”
“Kom maar verder.”
Ze pakte het blad en daar lag me toch een zooitje snaai op! Ik vroeg: “Wat kan ik kopen voor vijf centen?”
Ze wees het aan en ik pakte het, waarna ik haar het dubbeltje gaf en een stuiver terug kreeg. En daar kwam Piet. “En?”, vroeg hij, “is het gelukt?”
“Prima, zo heb je wat te snaaien voor in de kerk en ook nog wat voor in de kerkenzak!” Wat een oplossing was dat!
Het werd zomer en ik ging nog steeds naar de kerk met het dubbeltje en eerst nog even langs Piet. Nu hadden we ook een ijsboer in het dorp die zijn ijs maakte in de Loefstraat bij zijn moeder in de schuur. Ze verkochten toen ijsjes voor vijf centen en ik dacht: weet je wat? Ik ga eens kijken of ze al ijs hebben. Ik achterom en toen ik ‘Vollek’ riep kwam de moeder van de ijsboer en vroeg: “Wat kan ik voor je doen?”
“Ik wil een ijsje van vijf, kan dat?”
“Ja hoor, effies m’n klompen aandoen.”
En zo liepen we samen naar de schuur waar het ijs gemaakt werd. Ik kreeg een heel vers ijsje, zo uit de machine. Ik gaf haar het geld en kreeg ook weer een stuiver terug en ik blij naar de kerk. En zo heb ik heel wat gesnaaid dankzij Piet. Hij had toch wel goeie ideeën! Wat een tijd was dat, voor vijf centen een hand vol snoep halen. Als ik voorbij dat huis rijd, moet ik er vaak aan terugdenken. Dan zie ik Piet daar weer staan en in gedachten zie ik alles zo weer gebeuren.
De mensen die in dat huis zijn komen wonen, hoefden niet bang te zijn dat de schuurdeuren zouden verrotten. Daar zat immers genoeg verf op.
Siem Meijn en Sonja Duba