Een partij puf (visafval).
Een partij puf (visafval). (Foto: aangeleverd)

‘Wat zij kenne, ken ik ook’

Nieuws

OOSTZAAN - Het zal op een woensdagmiddag geweest zijn dat ik besloot om zelf de eenden te gaan voeren. Voor die beesten moest je eerst een ‘troet’ draaien van vis (puf), maïs, tarwe en legmeel. Het hele zooitje werd in een oude badkuip door elkaar geroerd en met emmers naar de voerbakken in de buitenhokken gesjouwd. Als je dan net tien jaar bent, is dat een hele zware klus.

Ik had weer eens niks te doen en meestal ging ik dan bij de Schafte zure melkproducten, die van de melkboeren terug kwamen, in een lege melkbus gooien. Vooral ‘s zomers kwam dit voor en het bestond uit alles wat met melk te maken had. Die zure troep werd dan aan de varkens gevoerd en die waren er dol op.

Ik deed dit met plezier voor mijn vriend Ham. Dan vroeg ik aan hem of hij nog wat te doen had en dan zei hij: ”Siempie, zeun, ga die flessen maar effe leeggooien.”

En als ik daar mee klaar was vroeg ik of er nog meer te doen was. Maar dan zei hij: ”Nee, zeun, niks meer.”

Dan ging ik maar naar opa, die tien stappen verder de ketel stond op te porren. En ik vroeg: “Opa, heeft u nog wat voor me te doen?”

“Nee, niks, zeun.” Nou, daar stond ik dan, met mijn ziel onder mijn arm. Uit pure verveling liep ik maar door naar de worf. Daar kwamen ome Luuk en zijn zoon Gerrit aan met de vrachtwagen. Ze hadden een nest (ondermaatse vis) handel en kwamen een paar mandjes puf (visafval) brengen. De vis, die aan de eenden gevoerd werd, haalden ze uit Uitdam, Durgerdam, Volendam, Monnickendam, IJmuiden en Den Helder.

“Wat ben je aan het doen, zeun?”

“Niks, er is niks te doen.” Waarschijnlijk zagen ze dat ik me rot verveelde.

Ze gooiden de puf in een oude badkuip, legden er een ouwe deur bovenop en gingen weer. En toen ik dat zag, dacht ik bij

mezelf: als er nou toch niks te doen is, kan ik net zo goed de eenden gaan voeren. En al had ik dat nog nooit alleen gedaan, ik had wel gezien hoe opa en me ome de troet klaarmaakten.

Er stond nog een lege badkuip en daar kon ik mooi de troet in klaarmaken. Een paar emmers puf van de ene kuip naar de andere kuip overgooien, dan een paar emmers maïs, meel en tarwe erbij doen. Het hele zootje door mekaar roeren en voeren maar!

Tenminste, dat dacht ik.

De hele troep doorroeren was al een heel karwei en niet bepaald van dat lichte werk. Maar goed, niet zeuren, gewoon doen!. Dat werd er altijd gezegd. En toen de troet klaar was, kon ik gaan voeren. We gebruikten oude RvS-emmers die van de Schafte kwamen. Er kon vijftien liter water in en ze hadden wat gaatjes. Maar dat gaf niet, voor het voeren waren ze nog goed genoeg.

Zo’n grote emmer, gevuld met troet, woog toch altijd nog vijftien kilo. En dat voor iemand die net tien is...

Ik liep met een volle emmer naar de hokken toe. Ik had de emmer met twee handen vast en m’n benen wijd, zodat hij recht voor me hing. Stap voor stap ging ik, slingerend, richting het eendenwatertje, bang dat de emmer uit mijn handen zou vallen. Opa en me ome liepen met de emmer over het eendenwatertje heen, maar ik zette de emmer neer. Ik stapte er eerst zelf overheen en pakte de emmer op, maar ik moest ongeveer 75 centimeter overbruggen en daar had ik moeite mee. Wat gebeuren moest, gebeurde en daar ging ik!

Langs het water lagen stenen en die waren glad. Ik gleed uit. Wat wil je ook, met klompen aan? Daar kun je toch op wachten! Overal lag voer, in het water en op de kant en ik had een paar natte poten. Gauw de emmer rechtop gezet en wat er aan voer te redden viel, er weer in gedaan. De volgende emmer deed ik niet zo vol en dat ging beter.

Ik was nog bezig de oude badkuip vol puf af te dekken met een ouwe deur, zodat er geen andere vogels bij konden komen, toen opa kwam aanlopen.

“Wat beje aan het doen, zeun?”

“Ik ben de kuip aan het afdekken.”

“Leet hum maar open staen zeun, er moet nag gevoerd worden.”

“Opa, ik heb net gevoerd.”

Het was even stil…

“Jij gevoerd, het zal wat. Hoe hei je dat udeen?” En hij schold niet eens. Dat was wel een goed teken.

“Met een emmer in de hokken gebracht.”

“Nee, hoe hei je dat voer kleergemaakt?”

Ik vertelde het en hij zei: ”Dat hei je gnappies gedeen, zeun!” En ik mocht bij het Végé-winkeltje aan de overkant wat kopen. Ik was zo trots als de pest!

Sinds die tijd heb ik heel wat keren de eenden gevoerd. Eerst met een emmer die voor driekwart gevuld was met voer, wat later een hele emmer vol en nog wat later met twee emmers tegelijk. Daar ging een jaar overheen, want er werd gezegd..” Het valt me tegen, zeun, je ken best twee emmers tillen!”

Ik heb heel wat keren geoefend met emmers water om dat te kunnen en ik had altijd natte poten, want er viel wel eens een emmer om. Waarom ik dit deed? Ik weet het niet. Misschien ging het erom: “Wat zij kenne, ken ik ook!”

Siem Meijn en Sonja Duba