
Eieren wassen, ‘‘t motte toch beure!’
NieuwsOOSTZAAN - Het was weer een koude, natte week en de eenden moesten nodig gestrooid worden. Maar het stro was schaars en zolang er niet gestrooid was, had je vieze eieren.
Een ei is nog vochtig, als de eend het gelegd heeft, en als het buiten- of binnenhok smerig is, neemt het ei veel prut op. Vieze eieren moeten eigenlijk meteen schoongemaakt worden, anders krijg je de prut er niet meer vanaf. Maar je kunt toch moeilijk de hele ochtend achter de kont van een eend aanlopen om te kijken waar ze een ei gaat leggen. En dat in zeven eendenhokken, dat is geen doen!
We hadden deze week veel smerige eendeneieren en voordat de eierenboer ze kwam ophalen, moesten ze gewassen worden. Eieren wassen deden we in het schuurtje. Er lag een betonnen vloer en in de winter was het daar ‘stervenskoud.’ Maar, er stond een oude, lage kachel en die konden we aansteken. Er waren twee grote waskuipen vol met eieren en opa had al gezegd: “Zeun, je ome en tante komme ook aarstonds. As jij nou effe de kachel opport. Ze komme om zeven uur.”
Dus moest ik hout hakken. Dat hout kwam overal vandaan. Als ik wat vond, nam ik het mee naar opa. Ik kon via de Schafte, achterom bij de houtwarenfabriek komen, en als er hout lag dat we konden gebruiken of verbranden, nam ik het mee. Het maakte niet uit of het geschilderd was of niet, als het maar fikte.
Zo ook deze avond. Ik had hout gehakt en het kacheltje aangemaakt. Dan werd het wat warmer in het schuurtje, want het tochtte er aan alle kanten. Oma deed er altijd de was op maandag, dan mocht ik ook de kachel aanmaken, maar dan moest ik wel om zes uur op.
De kachel brandde lekker en vooral dat geknetter was een mooi gehoor. Ik moest nog wel even naar de Schafte om warm water uit de boiler te halen. Deze hing in de uitgifte, waar de melkboeren hun melk konden afhalen. Ik moest twee bussen water halen, voor iedere teil één, dus voordat opa en m’n ome en tante kwamen, had ik nog wel wat te doen. Maar eerst eten, precies om zes uur en geen minuut later. “Tijd is tijd”, werd er altijd gezegd. Daar heb ik nu nog wel eens problemen mee. Als ik met iemand afspreek en diegene is niet op tijd, al is het maar vijf minuten, dan erger ik me al!
Ik ging gauw naar de Schafte om twee melkbussen met warm water te vullen en in de tussen tijd moest ik de kachel van hout voorzien. Er ging heel wat hout doorheen op zo’n avond. Iedereen was op tijd en de bussen met warm water stonden klaar. Het water mocht niet té warm zijn, want dan kreeg je gekookte eieren en m’n opa gooide het water in de teilen. Dat mocht ik niet doen, want stel je voor dat ik het verkeerd deed!
Je mot verdomme rustig an deun hè! Dut hebbe ik verdomme toch gezeit!
De eieren stonden lekker in de week en er werd een beetje soda bij gedaan. Maar ook weer niet te veel, want dan ging het vet van het ei. En nu moesten we voorzichtig de eieren gaan omroeren in de teil. Het moest wel heel voorzichtig gebeuren, want ‘wee je gebeente’ als je het te hard deed, dan ging opa weer te keer… ”Je mot verdomme rustig an deun hè! Dut hebbe ik verdomme toch gezeit!”
Maar wat wil je, de kachel brandde wel, maar het woei door de kieren heen. Het was ijskoud in de schuur en we zaten op onze knieën op de betonnen vloer eieren te wassen. Het water koelde ook gauw af. Je wilde zo snel mogelijk klaar zijn, maar dat kon niet. Het moest rustig aan gebeuren, want als er een ei brak, en een ei was toen een cent of tien, nou, dan kreeg je de wind van voren, dan begon hij te tieren. En of het nou m’n tante of m’n ome was, dat maakte hem niet uit… “Heb ik ut verdomme niet gezeit! Doe verdomme rustig an!”
Maar als hij het zelf was, ja, was het een hele andere zaak, dan zat er al een breuk in… Ja ja!
Als de eieren een kwartier in de teil hadden gelegen, mochten ze er heel voorzichtig uit worden gehaald. Ieder ei nam je in je handen om te wassen. Je draaide het, als het ware, in je handen om. Met twee teilen vol, waren we toch nog gauw twee uur bezig en daarna moesten we ze voorzichtig op een oude jute zak leggen en laten drogen, zodat ze in de kist konden. Later heeft m’n ome samen met opa een afdruiprek gemaakt van afvalhout dat achter de houtwarenfabriek was gevonden. Dan konden ze de eieren aan de lucht laten drogen.
Van oma kreeg ik dan een lekker koppie sjukulademelk
Maar goed… de eieren moesten nu in kisten van negenhonderd stuks verpakt worden. Er zaten van die grote handvatten van touw aan. In de kisten zat een kartonnen verdeelrek en tussen iedere laag werd ook nog een dik stuk karton gelegd. Als de kisten vol waren, moesten ze verzet worden en dat moest ook heel voorzichtig gebeuren, want stel je voor, dat je zo’n kist aan één kant liet vallen! Ik heb het nooit meegemaakt, maar ik denk dat de scheldtirades van opa niet van de lucht waren geweest. Later gingen de eieren in kisten van driehonderdzestig stuks en dat was niet zo zwaar. Als we klaar waren, gingen m’n ome en tante naar huis en ik ging met opa naar binnen. Van oma kreeg ik dan een “lekker koppie sjukulademelk”, zoals ze dat zei.
De volgende dag kwamen de eierenboeren de eieren ophalen. Van één zie ik zijn handen nog voor me. Als je toch iedere keer die zware kisten met die touw handvatten moet sjouwen. Dan gaan je handen ernaar staan en dan worden ze zo krom als de pest. De eierenboeren hadden zo’n platte kruiwagen en daar moesten ze mee over een smal pad naar achteren lopen om de eieren te halen. ‘s Winters, als het glad was, moesten ze goed uitkijken dat ze niet met kruiwagen en al omdonderden. En al helemaal als ze op klompen liepen. En dat deden ze.
Zo heb ik heel wat keren ‘s winters, samen met mijn ome en tante, de eieren gewassen. Later deden we het in de grote schuur. Daar tochtte het niet zo, maar er stond geen kachel. En of je het koud had, daar werd niet naar gevraagd, want “‘t motte toch beure!”
Gezellig vroeger, zo’n eenden- en kippenhobby. Maar je werd er wel hard van. Je kon goed tegen de kou. En ziek zijn, dat was er niet bij. Trouwens, dan moest je naar bed en daar had ik helemaal geen zin in.
Siem Meijn en Sonja Duba