Afbeelding
(Foto: Pixabay)

Column Marcel van Stigt: Wijze les

Column

Het verzorgingshuis in Amsterdam-Noord waar mijn bijna 95-jarige moeder woont is ernstig gedateerd. Het gaat na mei tegen de grond en maakt plaats voor nieuwbouw. Met de sloop verdwijnen de fysieke herinneringen aan mijn vakantiebaan aldaar als keukenhulp; deze komen sterk op als ik vanaf de aangrenzende binnentuin naar de buitenkant van de keuken kijk. Zo bezien lijkt er in dertig jaar nauwelijks iets veranderd.  

Een klasgenoot, tevens zoon van de directrice van het verzorgingshuis en zelf keukenhulp, wees me erop dat er een zaterdagkracht was weggevallen. Ik heb meteen toegehapt. Ik was net op zoek naar een bijbaantje, maar niet als krantenbezorger (te vroeg mijn bed uit en kans op regen), vakkenvuller (te saai) of winkelbediende (gewoon geen zin in).  

Een krappe drie jaar ben ik keukenhulp geweest. Het was een bijzonder leuke periode. Niet alleen vanwege de verdienstenen, maar ook vanwege de gezellige sfeer en de gevarieerde werkzaamheden. 

De dag startte standaard met aardappels pitten. Die werden vooraf in een machine met daarin een korrelige schijf snel rondgedraaid om ze te schillen. Daarna sneden mijn maatje en ik met een aardappelmesje de pitjes eruit. Daar werd ik best zen van. 

Als volgende taak wachtte het betere grove werk: bloemkolen schoonmaken, rode kool snijden of kippen vierendelen. Hierin leefde ik me helemaal uit. Liever dit soort klussen dan bijvoorbeeld schaaltjes rauwkost samenstellen. Een hoop gepiel op de vierkante decimeter waar ik nogal nerveus van werd. Zo moest ik als puntje op de ‘i’ een schijfje sinaasappel als topping plaatsen, en dan ook nog eens met een sierlijke krul erin. En dat honderd keer. Vrèselijk. Gelukkig had men snel door dat dit niet mijn ding was. 

Er werd een warme lunch geserveerd. Daartoe nam de voltallige brigade plaats bij de lopende band. Aan mij de taak om op elk dienblad dat voorbijkwam een voorverwarmd driehoeksbord neer te zetten. Die waren loeiheet en ik pakte ze met keukenhandschoenen aan uit een kar. Niet zelden waren ze al vaak gebruikt en zaten er op de essentiële plekken gaten. Dat merkte ik dan pas zodra ik een bord in mijn handen had. 

Het servies werd om halftwee weer van de kamers gehaald. Dan moesten alle bladen, borden, lepels, vorken, messen en schaaltjes door een grote vaatwasser. Soms zaten er briefjes van bewoners bij met daarop teksten die uiteenliepen van ‘Ik heb echt gesmuld!’ tot ‘Het was weer niet te vreten!’. Sommige borden kwamen onaangeroerd terug. Ondankbare types. Maar als er een nog warme gehaktbal bij zat, was die meteen voor mij. En tot slot schrobden we de keukenvloer schoon. Tientallen emmers sop gingen er overheen. 

Mooie herinneringen en ik heb er nog best veel geleerd. Snijtechnieken vooral. De chef-kok wilde me dit soort dingen bijbrengen.

Jaren later pas ik de technieken en lessen nog steeds toe. Toch is er één wijze les die ik steeds vergeet: na het snijden van een Spaanse peper vooral NIET gaan plassen. Echt, dat kun je beter laten.