
Het blijft passen en meten in 750-jarige stad
NieuwsAmsterdam zal, nucleaire rampen voorbehouden, over wederom 750 jaar heus ook nog wel bestaan, maar geldt dat ook voor de Amsterdammer? Of beter: voor de ‘echte Amsterdammer’ zoals hij of zij doorgaans wordt betiteld: met het hart op de tong en jofele humor, een toffe kankeraar en fan van Ajax door dik en dun. Nu al lees je herhaaldelijk dat die echte Amsterdammer aan het uitsterven is of, erger, uit de stad verdreven wordt door nieuwkomers, expats en ‘yuppen’.
Door John Jansen van Galen
Zelf woon ik al bijna 70 jaar in de stad zonder dat ik mij ooit een ‘echte Amsterdammer’ ben gaan voelen. I’m a country boy, zoals Snooks Eaglin zingt, een jongen van het platteland. Een kwart eeuw lang woonde ik in de Jordaan, wat toch wel de vindplaats bij uitstek is van die echte Amsterdammer (met zijn ‘lepel in de brijpot’). We werden er vanaf de eerste dag met de nek aangezien – in ons huis had immers een neef of schoonzoon van de buren moeten komen wonen, een echte Jordanees. Tegenover ons woonde een man die in de media vaak optrad als het prototype van de ‘echte Jordanees’, met de bijbehorende grote mond. Het ergste dat hem had kunnen overkomen was dat je zijn geboorteplaats had onthuld: Alkmaar namelijk. Want dat is het overheersende feit: de meeste Amsterdammers, en steeds meer Amsterdammers, zijn niet in Amsterdam geboren.
Inmiddels woon ik al 17 jaar in Noord en zie om mij heen de teloorgang van de oude tuindorpen: Oostzaan, Nieuwendam, Buiksloot, met hun voorheen dorpse karakter en sociale verbondenheid, nabootsingen van de dorpen waar de arbeiders van de scheepswerven vandaan kwamen. De voormalige arbeiderswoningen worden gerenoveerd en verkocht aan vlotte jongelui die geen boodschap hebben aan een ‘buurtgevoel’.
Jammer? Ja jammer, al moet je dat gevoel niet overschatten, er was ook veel naijver en onvrede onder elkaar. Maar de scheepswerven waar die oude bewoners werkten bestaan nu eenmaal ook niet meer. En een appartement op veertien hoog naast het metrostation Noord is geen voedingsbodem voor onderling gemeenschapsgevoel.
Met handel meer te verdienen dan met oorlog.
Het is nooit anders geweest. Amsterdam is vanouds een handelsstad die zich openstelde, ja het moest hebben van nieuwkomers, van buitenlui en immigranten. Het liet Oranje in vroeger eeuwen vaak in de kou staan als de stadhouders de strijd wilden aanbinden met tegen Frankrijk of Engeland, het keek liever de kat uit de boom en telde zijn knopen. Met handel was nu eenmaal meer te verdienen dan met oorlog. Opportunistisch? Jawel, en met succes. De stad werd een toevluchtsoord en vrijplaats voor andersdenkenden die door Franse en Engelse machthebbers vervolgd werden. Kooplieden en ambachtslieden van overal vestigden zich er, maar ook denkers als John Locke, de geestelijke vader van de verdraagzaamheid.
En nu? In de metro van de Noord-Zuid-lijn hoor ik allengs meer vreemde talen. Wordt de ‘echte Amsterdammer’ verdreven? Rond het metrostation verrijzen steeds meer hoge woontorens en iedereen, ook de ‘echte Amsterdammer’, heeft nu 3,5 maal zoveel persoonlijke woonruimte ter beschikking als toen ik driekwart eeuw geleden opgroeide in een Gelders dorp. Het is dus enorm passen en meten: je wilt als bestuurder die ‘echte Amsterdammer’ beschermen en tegelijk plaats bieden aan de vreemdeling die de stad nieuwe welvaart brengt. Het is passen en meten, duwen en dringen. Noord wordt steeds minder groen, al wordt het nog omringd door groen. En toch wil ik niet terug naar dat dorp. Niemand van ons Amsterdammers, denk ik.