
Een stukje winterkunst op het raam
NieuwsOOSTZAAN - Het was koud, echt koud. Het vroor dat het kraakte en dikke, witte vlokken dwarrelden traag naar beneden. Van alle wintermaanden was februari vaak het koudst. Het hele land was bedekt met een dik pak sneeuw. Vroeger kwam er meer poolkou uit het hoge noorden en er vielen stevige winterse buien.
De daken van de huizen waren wit, net als de bomen. Zelfs op de dunste takken bleef de plaksneeuw hangen en grote en kleine sneeuwpoppen verschenen in tuinen en op de stoep. Er lag al een flinke laag en er bleef maar nieuwe sneeuw bijkomen. Het hield niet op en alles en iedereen werd bedolven onder die grote, donzige vlokken.
Binnen was het haast net zo koud als buiten. De wind blies door de kieren van de oude huizen heen. Dat ging zo in het dorp, maar in de stad was het niet anders. Verwarming bestond nog niet en in slechts één kamer werd gestookt. Een grote, zwarte kolenhaard, die in de volksmond ‘Moortje’ werd genoemd, straalde een aangename warmte af. Hoe dichter je er bij ging zitten, hoe warmer je werd.
De oliestellen verwarmden de keuken en daar werd ook op gekookt en gesudderd. Dan rook je die speciale geur van stoofpeertjes en runderlapjes, vermengd met de lucht van petroleum. Die geur, die je in gedachten weer ruikt, als je aan oma’s keuken denkt.
In de winter was je bed koud. Bovenop de dekens werd een dikke winterjas gelegd en met een beetje geluk kreeg je een warmwaterkruik mee. Tot overmaat van ramp, kwam dan voordat je ging slapen, die lepel levertraan met suiker. Daar moest je aan geloven, of je nu wilde of niet. Een lepel vol dikke, vette olie, wat vies rook en nog erger smaakte. De ‘R’ was in de maand en dat betekende: minder zon. In levertraan zat vitamine D en dat was goed tegen snotneuzen en koortslippen. Er hielp geen lieve vader of moeder aan, je kreeg ‘m en zo ging je als kind de nacht in.
Als je ‘s morgens wakker werd, zag je prachtige ijsbloemen op het dichtgevroren slaapkamerraam. Je kon er niet doorheen kijken, zo dik waren die ijsbloemen. Als je je tong er tegenaan drukte, bleef die vastzitten aan het bevroren raam. Het deed wel pijn om hem weer los te trekken, maar toch probeerde je het steeds weer, met een puntje, om even te proeven. Vervolgens blies je met je adem een kijkgaatje, tussen die toverachtige ijsbloemen, om te kijken of het gesneeuwd had.
In de vorige eeuw zag je op winterdagen overal ijsbloemen verschijnen. Prachtige veren en pluimen van ijskristallen ontstonden op de ramen van ijskoude slaapkamers. Een stukje winterkunst, dat door de natuur zelf werd geschilderd.
De ijsbloemen waren er ook vanochtend weer. In Oostzaan had het de hele nacht gevroren en de lucht was behoorlijk vochtig. Ik wilde al gaan krabben, maar toen ik de motor aanzette, werd ik verrast door de opkomende zon, die aan de binnenkant van mijn auto, een fantasietafereel van uitgewaaierde varens in een glinsterend licht zette. Even was ik verbaasd over zoveel schoonheid en voordat de zon ze zou smelten, maakte ik vlug een foto van dat geheimzinnige kunstwerk.
Sonja Duba