
Stanley Harold Lo-A-Njoe (89) blikt terug op het oude Amsterdam in podcast ‘Bij Ons in Amsterdam’
Amsterdam 750AMSTERDAM - Dit is het verhaal van Stanley Harold Lo-A-Njoe (89). Hij vertelt verhalen uit de tijd dat er nog geen plastic bestond en het huis warm gehouden werd door middel van een vuilnisbak. “Daar gooiden we aan de bovenkant briketten en stukken hout in. Zo hadden we een beetje warmte”, vertelt hij. Kleine geschiedenissen uit de grote stad. In de podcastserie ‘Bij Ons in Amsterdam’ van gaan we terug naar de tijd, waarin luiers nog van katoen waren en het kerkgebouw op de markt nog Christelijke diensten draaide.
Stanleys leven speelde zich voornamelijk af rond de Albert Cuypstraat. Hij is geboren in Paramaribo, Suriname, maar kwam als kleine jongen van twee jaar naar Nederland met zijn ouders. Momenteel woont Stanley in de Jordaan, waar hij nog steeds hard aan het werk is met het repareren, restaureren en ontwerpen van Thonet-stoelen. Dat zijn stoelen van gebogen hout, veelal gecombineerd met rieten zittingen en/of dito rugleuningen. Er hangt een bordje voor zijn raam: “Hier woont en werkt uw rietvlechter. Ik repareer en restaureer Thonet-stoelen. Problemen met uw stoel? Bel gerust aan.” En dat deed het podcastteam van ‘Bij ons in Amsterdam’.
Zojuist hadden klanten hun Thonet-stoelen ter reparatie gebracht. Stanley is bezig de ambachtelijk gevlochten zittingen van de stoelen te repareren. De liefde voor het werk van de negentiende-eeuwse Thonet gaat zichtbaar dieper dan het ambacht alleen. In de hele woonkamer van Stanley zijn stoelen te zien. Er hangen er zo’n dertig aan de muren en in de kamer staan er nog een aantal. Overal staan stoelen en is er een Thonet-bankje voor twee personen, een ontwerp van Stanley zelf: “De lover chair.” En er is een Thonet-hangstoel. Een waar Thonet-museum dus.
Ooit had de Albert Cuyp een andere naam en het was toen zelfs niet eens een straat. Er was een sloot, de Zaagmolensloot, aan de buitenrand van de stad, tussen twee rivieren: de Oude Wetering en de Amstel. Er stonden veel molens in dat gebied, maar vanaf 1870 werd hier de stadsuitbreiding in gang gezet. De vele molenaars die er woonden en werkten, verzetten zich met hand en tand tegen de nieuwbouw, want het tastte hun leven en vooral hun werk aan. Maar vanaf 1880 werden de molens toch afgebroken, de een na de ander en in 1894 werd de Zaagmolensloot gedempt. Hier kwam de Albert Cuypstraat. Het verhaal dat hier uit de mond van Stanley wordt opgetekend, speelt zich slechts zestig jaar na deze tragedie af.
Mijn vader was donkeyman op het schip van de KNSM. Zonder hem kon het schip niet varen
Het is 1938 als de familie Lo-A-Njoe per schip de grote oversteek maakt van Suriname naar Nederland. Stanley was toen nog maar twee jaar. “Mijn vader was donkeyman op het schip van de KNSM. De Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij. Een donkeyman beheert de machinekamer (een ‘donkey’) van een schip. Het is een heel belangrijke functie, want zonder hem kon het schip niet varen”, vertelt Stanley. Zijn moeder woonde oorspronkelijk in een stam in de buurt van Paramaribo. In 1935 beviel zij van Stanley, maar de vader was weinig thuis. Hij was altijd aan het werk op het schip en op een keer stelde moeder voor om met hem en de baby mee te varen naar Amsterdam. En zo geschiedde.
Via de KNSM kwam het gezin een woning in de Albert Cuypstraat, boven de opslagplaats van een groenteboer, Bertus Meegdes. De woning was zeker niet van luxe voorzien: er was wel een klein badkamertje, maar het huis was niet goed warm te krijgen. “We hadden een soort vuilnisbak waar een rond gat in was gemaakt, daar gooiden we de briketten in en wat hout en zo probeerden we het een beetje warm te krijgen. We hadden twee slaapkamers, een kleine woonkamer en een douche die vrijwel boven het toilet was aangebracht zodat je er bijna niet onder kon staan. Er was een oude geiser die het soms wel deed, en soms niet, net als het water en de elektriciteit.” Stanley was toen vijf jaar, maar hij voelde zich vijftien jaar.
Er verhuisde nog een aantal Surinamers naar Amsterdam en de kinderen gingen allemaal naar de Jan van der Heydenschool. De nazaten van deze Surinamers wonen er nog steeds.
Op de Albert Cuypmarkt werden elke ochtend de kramen opgesteld. Sommige handelaren stonden er telkens met een andere handel. De ene keer was dat linnengoed, de andere keer stonden de kramen vol met cactussen. “Maar ook waren er de dagelijkse groenteboer, de bakker en de visboer te vinden.”
Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak mocht de vader van Stanley niet met het schip naar Amsterdam komen. Hij voer dus uit naar Amerika en uiteindelijk is hij daar gebleven. “Ik heb mijn vader dus tot mijn vijfentwintigste jaar niet gezien. Moeder stond er nu alleen voor.”
Ik organiseerde gewoon de opstelling: jij op doel, jij hier, jij daar…
De kinderen uit de buurt gingen allemaal naar de school, waarvan Stanley de naam nu niet meer weet. Nu is er ook een school in gevestigd, basisschool De Springstok. Hij herinnert het zich als een prachtige tijd. Hij ging vaak voetballen met zijn vriendjes in de Hemonylaan. Omdat hij een ‘gang’ had, een soort jeugdbende, was het helemaal het summum. “Iedereen wist van de Stanley-gang!” Tijdens het voetballen ontpopte de vijfjarige Stanley zich al gauw tot aanvoerder. “Ik organiseerde gewoon de opstelling: jij op doel, jij hier, jij daar… en dat werd geaccepteerd.”
De vijfjarige Stanley voelde zich als oudste zoon verantwoordelijk voor zijn gezin. “Zo werkte dat gewoon. De oudste jongen of het oudste meisje uit een Surinaams gezin werd dan de vervanger van vader.” Stanley was bezig met de bevoorrading: morgen zijn de luiers voor zijn kleine broertje op, er moeten nieuwe komen. Het begon in de oorlog met het pikken van luiers. Bij de kraam tegenover het huis verkocht de koopman kinderkleertjes, luiers, zalfjes alles voor de baby. Toen hij Stanley betrapte op het pikken van luiers, begreep hij wel dat dit geen kattenkwaad was. Hij vroeg wat er aan de hand was. Stanley vertelde dat zijn moeder geen luiers meer had voor de kleine en toen hielp de koopman een handje. Hij gaf hem wat mee en lichtte andere verkopers in over de benarde situatie waarin het kind verkeerde, want hij pikte ook etenswaren, groente, fruit en vis.
De kinderen die in de gang van Stanley zaten woonden verspreid door de hele Pijp. Ze waren tijdens de oorlog de Duitsers te slim af en zo groeiden ze uit tot een ware verzetsgroep. In die periode wisten die jochies van vijf tot tien jaar alles te regelen. De marktkooplui van de hele Albert Cuyp wisten van het bestaan van de gang, maar ze wilden wel helpen. Ze zeiden tegen Stanley dat hij met zijn gang na vijven alles mocht komen ophalen wat niet verkocht was. Dat draaide wel, maar er stonden langs de hele markt Duitsers opgesteld waar een enorme dreiging van uitging. De markthandelaren die Joods waren, werden er op onvoorspelbare tijden uitgepikt en afgevoerd. Ook uit het marktpubliek werden er mensen zomaar uitgepikt en afgevoerd. Stanley schudt zijn hoofd: “Die Duitsers waren vreselijk, gewoon rampzalig. Ze pakten ook donkere mensen op, en ouderen. De mensen die ons hielpen zagen we gewoon verdwijnen, maar de kleintjes, zoals ik, liepen er lekker tussendoor.”
Toen er zoveel groente en fruit bij het scheiden van de markt overbleven, groeide het de kleine jongen boven het hoofd. Hij ging met de dominee van de kerk op de Albert Cuyp praten of hij er raad mee wist. Op de Albert Cuyp stond een heel klein kerkje, tussen de Van Woustraat en de Van der Helststraat. Die dominee wist wel raad. Hij kende dominee Buskes van de Oranjekerk in de Van Ostadestraat, aan de andere kant van het Sarphatipark. En zo ging dit zaakje pas goed rollen, want dominee Buskes werd ook in zijn kerk geconfronteerd met schrijnende situaties van mensen die het heel moeilijk hadden. Door samen te werken met ‘de Stanley-gang’ kon hij die mensen aan wat eten helpen, wat broodnodig was.
Het was voor de kinderen levensgevaarlijk om die hoeveelheden levensmiddelen van de markt af te smokkelen, er stonden overal Duitsers die alles in de gaten hielden, maar Stanley en zijn maatjes lieten zich niet tegenhouden.
Toen de groentes niet meer over straat naar de Oranjekerk gebracht konden worden, moest het maar over de daken. “Over de straat kon het niet, want de Duitsers hielden ons in de gaten. We moesten een andere manier proberen.”
Fantastische mensen. Deze mensen hebben ons gezin door de oorlog heen geholpen
Een grote rol in dit verhaal speelde de hulp van Bertus Meegdes. Hij had een groentekraam en opslag precies onder Stanleys woning. Hij was een van de marktmensen die Stanley hielp. “Ze vonden het gewoon prachtig dat wij al die spullen verzamelden en naar dominee Buskes brachten. We hadden een deal met hem gemaakt: alles wat na vijf uur niet verkocht was mochten wij verzamelen en gebruiken, maar er moest wél wat tegenover staan en dat was, dat wij moesten helpen de kraam op- en af te bouwen. Dat deden wij met z’n allen en dat was heel mooi, want zo viel het de Duitsers niet op waar wij, kinderen, mee bezig waren. We brachten de etenswaren naar boven naar ons woonadres. Wij konden de kratten niet tillen, we waren pas zes-zeven jaar, maar dan deden we de spullen over in juten zakken en zo ging het wel.” Stanley sjouwde de juten vuilniszakken naar driehoog, daar woonden tante Stien en ome Jaap. “Fantastische mensen. Schatten. Zij waren als familie voor ons gezin. Deze mensen hebben ons gezin door de oorlog heen geholpen.”
Vanaf de zolder van tante Stien en ome Jaap kon Stanley het dak opklimmen en zo liep hij over de daken naar de Van der Helststraat. Portiek in en portiek uit, goed uitkijken, maar het ging goed, langs het park, Ceintuurbaan oversteken, zo kwam je bij de Oranjekerk. Daar deelde Dominee Buskes het voedsel uit aan de mensen die het heel hard nodig hadden. “Die man was zo’n lieve schat… hij is wel twee of drie keer opgepakt.”
Stanley stokt even, maar praat dan verder. “Op een dag zat er een onbekende man op het stoepje bij de kerk. Dat was Rinus Pelgrom, een verzetsstrijder die samenwerkte met dominee Buskes. Ik wist dat hij joden in huis had. Hij woonde op de Kloveniersburgwal 91. Dat adres was een begrip binnen het verzet en binnen de Jodenvervolging.” Maar op een dag ging het gruwelijk mis met het huis aan de Kloveniersburgwal 91. Stanley vertelt dat de oudste dochter van Rinus op een keer eten ging halen voor de grote groep mensen. Dat viel de Duitsers op. “Wat moet ze met zoveel boodschappen…” Dat was de aanzet voor de Duitsers om dat huis te doorzoeken. Alle joden, op twee na, werden gepakt, afgevoerd en gefusilleerd. Van de zestien zijn er maar twee ontkomen en het huis werd geblokkeerd door de Duitsers.
Pelgrom was een bekende naam in de verzetswereld. Op de Snoekjesgracht was een bolwerk van verzetsmensen, ze hebben honderden joden geholpen. Ook Stanley bleef zijn steentje bijdragen aan het verzet, samen met zijn gang, die inmiddels bestond uit zo’n veertien kinderen. Ze bleven voetballen in de Hemonylaan. “Tussen de bomen was het doel: jas uit, links neergelegd en jas uit, rechts, daartussen was het doel.” De jonge Duitsers die daar veelvuldig rondliepen om de boel in de gaten te houden, werden aangetrokken tot het kinderspel. Het gebeurde zelfs een keer dat een jonge Duitser die daar het toezicht had, zijn jas ook uittrok en een potje meespeelde.
Maar Stanley had haviksogen. Zijn blik viel op een sleutelbos in de jaszak van een Duitse toezichthouder. Hij wist dat er achter de Hemonylaan, aan de Stadhouderskade, een pakhuis van de Duitsers was. Op een gegeven moment wist Stanley die sleutelbos ongezien te pakken te krijgen. Met die bos trok hij naar de hoek van de Van Woustraat/Stadhouderskade, want daar kon je ook toen al sleutels laten kopiëren. Na het voetballen wilde de soldaat naar het pakhuis gaan en toen bleek hem dat hij zijn sleutels kwijt was. Hij ging terug naar het veldje waar de jongens nog waren. “Hebben jullie mijn sleutels gezien?” Natuurlijk had niemand zijn sleutels gezien.” Stanley en zijn vriendjes hielden de wacht bij het pakhuis. Toen de kust veilig was, probeerden de jongens alle sleutels van de bos, net zo lang totdat één sleutel paste en de deur opende.
De munitie hebben wij laten liggen, maar de etenswaren die bestemd waren voor de Duitsers, namen wij mee
In het pakhuis lag munitie maar ook een heleboel voedsel. “De munitie hebben wij laten liggen, maar de etenswaren die bestemd waren voor de Duitsers, namen wij mee.” De kinderen hadden de jassen op de straat gelegd, zoals ze normaal ook deden om het doel te markeren, maar daarin konden ze mooi de levensmiddelen verpakken en zó naar Stanleys huis brengen. Dat ging ook weer over de daken van de huizen. En van daar werd het naar dominee Buskes in de Oranjekerk gebracht. Bij het weerzien van de Duitse soldaat maakten de kinderen handig gebruik van hun kinderlijke onschuld. “De volgende dag hebben wij de sleutels weer terug gelegd, maar op een andere plek.” De soldaat was hogelijk verbaasd maar de jongens wisten van niks, ze hadden die sleutels gevonden. “Ze lagen gewoon daar…”
Net als Stanley overleefde Rinus Pelgrom met zijn tien kinderen de oorlog. Met de jongste dochter van Rinus Pelgrom kon Stanley het erg goed vinden. “Eduarda, ik noemde haar Wardje.” Ze was de jongste van het hele stel. Ze werden verliefd en wilden trouwen, maar Stanley wilde haar vader, zoals dat hoorde, om haar hand vragen. Maar Rinus zat in Oslo, Noorwegen. “Ik vertelde Wardje dat ik haar vader om toestemming wilde vragen. ‘Maar,’ zei zij, ‘mijn vader zit in Oslo. Hoe kom je daar?’ Rinus was naar Oslo verhuisd, want hij werd door de Duitsers in de gaten gehouden en kon hier dus niet blijven wonen.” Stanley is toen liftend naar Oslo gegaan en haar vader vond het goed als Stanley met zijn ‘meisje’ ging trouwen. En toen is Stanley weer liftend teruggereisd. Het stel trouwde en kreeg kinderen. Toen de kinderen volwassen waren verhuisden zij naar Portugal. Maar toen Wardje een paar jaar geleden ziek werd, keerden ze terug naar Amsterdam. En toen zij overleed, bleef hij in Amsterdam en daar woont hij nu nog steeds: in zijn kleine Thonet-museum.
Beluister Stanleys verhaal ‘Bij Ons in Amsterdam’, te vinden op alle bekende podcastplatforms (Spotify, Apple Podcasts, Podimo) of via https://podcasters.spotify.com/pod/show/bijonsinamsterdam