De boot van de mistschipper.
De boot van de mistschipper. (Foto: Oudheidkamer Oostzaan)

De mistschipper

Nieuws

OOSTZAAN - Ik was altijd thuis bij mijn opa en oma. Ze zeggen dat ik in hun huis geboren ben. Het huis van de zeerover Claes Compaen. Maar, dat klopt niet, want Claes was al dood voor 1700 en het huis werd gebouwd in 1708.

Opa had veel kippen en eenden en als het winter was en het was flink nat geweest, moest er, zowel buiten als binnen, veel stro gestrooid worden in de eendenhokken. Als dat niet gebeurde, werden de eieren smerig en dan moesten ze allemaal gewassen worden.

Vroeger dacht ik wel eens dat de eendenhokken gingen krimpen. Maar dat leek maar zo. De mest kwam gewoon steeds hoger te liggen en na een jaar of vier moest er dus door al dat gestrooi en al die eendenstront, ‘gemist’ worden (mest opruimen). Want deed je dat niet, dan zou het zo ophopen dat je je harses tegen het dak zou stoten.

Misten was zwaar werk, neem dat maar van mij aan. Ik heb het diverse keren moeten doen, of ‘moeten’ eigenlijk niet. Maar als ik mij verveelde, en het moest gedaan worden, zei opa: ”Je kenne wel effies gaan miste!”

Dan begon ik in het eerste hok met een puntschep regels of blokken te maken en daarna moest de mest met de greep (mestvork) in de kruiwagen worden gegooid. Maakte je geen blokken, dan trok je je wezenloos, maar dan lukte het niet om mest in de kruiwagen te krijgen, zo zwaar was het. De mest lag zo’n anderhalve greep dik in de hokken, dus moesten er heel wat kruiwagens uitgereden worden.

Als je dan dertien jaar bent, ga je eerst proberen om een volle kruiwagen naar achteren op de ‘worf’ (erf) te brengen. Maar dat had ik snel bekeken en het werd al gauw een halve kruiwagen. Ik deed er een hele middag over om één hok leeg te maken en dan was ik gelijk bekaf.

Mijn opa werkte toen bij de Schafte, de melkfabriek, en veel tijd had hij niet. Als ik dus wat deed, was dat mooi meegenomen. Ook mijn ome hielp met misten en dan vooral op zaterdag. Hij was niet zo groot, maar wel lomp sterk.

Als het misten klaar was, kwam de mistschipper uit Lisse. Als hij zijn boot achter de ‘worf’ had aangelegd, had hij zijn fietsie bij zich, zodat hij weer naar huis kon fietsen. 

De boot moest nu volgegooid worden. Eerst had je de mest al achter op de ‘worf’ gegooid en nu kon je weer opnieuw beginnen met kruiwagens vullen. Daarna ging het de loopplank op en dan leegkieperen. Wij hadden gewone kruiwagens, maar als ome Jan uit Den Ilp kwam, nam hij zo’n grote, houten kruiwagen mee. Die ging dan vol met mest, met een kop erop.  En dan zei hij: “Probeer maarderes!” Dat lukte nooit, want je kreeg hem met geen mogelijkheid van zijn plaats. Maar ome Jan liep er gewoon mee de loopplank op en leegde de kruiwagen in de boot. Ook mijn andere ome kwam dan helpen en ook hij reed met het grootste gemak een volle kruiwagen met een gangetje de boot op. Voor deze klus moest je echt heel wat in je mars hebben.

Het gebeurde wel eens dat de loopplank glad was en dan donderde er een volle lading de sloot in. Dan stond ik daar te kijken en te wachten op wat er ging gebeuren. Nou, daar kon je donder op zeggen met opa: ”Wel verdomme, kenne je niet uitkijken, daar gaat m’n handel! Laat het verdomme niet weer gebeuren!”

Dan maakten we de loopplank wel weer schoon met water, maar je kon er weinig tegen doen, want binnen de kortste keren was de plank weer glad. 

Als de boot vol was, werd de schipper gewaarschuwd. Een paar dagen later kwam hij weer op zijn fietsie uit Lisse om de boot op te halen. Dan ging de fiets mee de boot in en varen met die hap. Rechtdoor de Roemersloot, richting Hanepadsluis en zo ging hij op huis aan. En de mist... die werd voor de bollenvelden gebruikt.

Ze zeggen wel eens dat vroeger alles beter was. Nou, je werkte je het leplazarus om een paar rotcenten te verdienen. Meer bracht de mist niet op. Maar het scheelde wel weer met de hokken. “Je konne weer een bietje”, zoals opa zei. “Gnap lope in het hok en je stote je harses niet!”

Siem Meijn en Sonja Duba