
Column Marcel van Stigt: Vakantievrienden
ColumnDe boodschap op mijn voicemail, eind vorig jaar, was onheilspellend. De stem van Maria klonk heel opgetogen: “Zeg, jullie vieren Oud en Nieuw toch op Terschelling? Nou, Fred en ik gaan ook! Leuk, hè? Dus bel me even terug, dan kunnen we iets afspreken! Doei!”
“Oh nee!”, kreunde ik. Mijn vriendin keek me vragend aan. En nadat ook zij de boodschap had afgeluisterd, kwam ze tot een soortgelijke reactie. “Hier heb ik he-le-maal geen zin.”
Maria en Fred hadden we twee jaar eerder tijdens een korte vakantie ontmoet. We raakten amicaal aan de praat en riepen uit dat we eenmaal thuis maar eens bij elkaar moesten lanskomen. De hebben we drie keer gedaan. De eerste keer was het best leuk, de tweede keer bleek de jus er al vanaf, en de derde keer werd een tergend lange, uitputtende zit. Naarmate we het stel beter leerden kennen, raakten we minder van ze gecharmeerd. Maria praatte veel, en vooral over zichzelf. Met Fred, die we leerden kennen als een authentieke droogkomiek, viel amper nog iets te beleven.
We waren van plan om het contact langs een natuurlijk weg te laten afsterven: zelf niet meer bellen en dit stug volhouden. Maar dat was niet zo gemakkelijk. Maria bleef met grote regelmaat bellen om een nieuwe afspraak te maken. Dit wimpelden we dan af, maar twee weken later belde ze net zo vrolijk opnieuw. Het signaal dat we op het stel waren uitgekeken werd niet opgepikt.
En dus zakte onze vakantievoorpret naar het nulpunt toen we het voicemailbericht tot ons lieten doordringen. Het was wel zo fatsoenlijk om terug te bellen. Maar wat moesten we zeggen?
We kwamen tot drie opties. 1) Zeggen dat we de reis door omstandigheden hebben moeten annuleren, en bidden dat we ze niet per ongeluk tegen het lijf zullen lopen. 2) Toch maar iets afspreken en het bij één ontmoeting laten. 3) Voorstellen dat we eenmaal op Terschelling wel zouden zien wat we samen gingen ondernemen.
We besloten tot het laatste.
De rampspoed werd meteen over ons afgeroepen. We waren nog maar net van de boot gestapt of mijn mobiele telefoon ging af. Maria. “Zeg, wij zijn gisteren aangekomen. Waar zitten jullie? Dan komen we naar jullie toe.”
Het was alsof ik in een metersdiepe put wegzakte. Met een ingehouden zucht gaf ik haar het adres van ons huisje. Er viel niet aan te ontkomen. We konden alleen maar hopen dat ze ons huisje niet zouden kunnen vinden. Of dat ze zich zouden bedenken.
We leken geluk te hebben. Het gevreesde bezoek bleef uit, zelfs op de laatste avond van het jaar. Om tien voor twaalf pakte ik met een brede glimlach en een opgelucht gevoel alvast een fles champagne uit de koelkast. En net op dat moment gebeurde het onvermijdelijke. Gebons op de deur deed ons verschrikt naar elkaar opkijken. En daar stonden ze. Maria en Fred. Met eveneens een fles champagne in de hand.
“Precies op tijd!”, kraaide Maria. “Kunnen we mooi met elkaar proosten. Dat we het in het nieuwe jaar maar weer heel leuk met elkaar zullen hebben!”