
Eens een eendendorp, altijd een eendendorp
NieuwsOOSTZAAN - Tja, ‘t is wat met de eenden in het dorp en altijd weer de ambtenaren die zich ermee bemoeien en er geen verstand van hebben. In 1932, waren er al problemen met die beesten en er is nog niks veranderd. En als je denkt: we komen er wel van af, dan heb je het mis, want… ze zijn niet weg te krijgen!
In en rond Oostzaan barstte het vroeger van de eendenboeren. Ze hadden een gewone baan en als hobby hielden ze er eenden bij, gewoon omdat ze dat leuk vonden. Maar rijk ervan worden, vergeet het maar. Slechts een enkeling kon ervan leven.
Nu was er in het dorp een eendenboer, die zo’n zestig à tachtigduizend eenden had voor de slacht. De eenden liepen in grote eendenhokken met een watertje erbij. Ze hoefden niet los te zwemmen en zo had niemand er last van, ook de ambtenaren niet.
Maar ja, het gebeurde wel eens dat er een plankie verrot was aan de onderkant en dan brak het bij het water af. De eendjes zagen hun kans schoon en braken uit. Dan zwommen er wel zo’n honderd los en die gingen met z’n allen vrolijk het veld in. Ik weet nog dat de dr Keijzerstraat gebouwd was en aan het eind daarvan lag een eilandje. De eenden hadden het daar prima en zwommen onbezorgd rond en niemand ergerde zich er aan.
Tenminste… dat dachten de eendjes, want een geweldige ambtenaar in functie, onze eigen dorpsveldwachter, had weer eens de behoefte om roet in het eten te gooien. En dat deed hij voor die beessies! Hij ging op zoek naar de eigenaar, want hier zou hij wel even een eind aan maken, en met groot ‘poeha’ liep hij het erf op.‘
“Zo…”, zei de eendenhouder, “hoog bezoek. Waarmee kan ik je van dienst zijn?”
De veldwachter antwoordde nors: “Ik heb klachten gehad over die eendjes die jij zomaar laat rondzwemmen. De mensen hebben er last van!”
“Oh… is het dat. Ik heb nog geen tijd gehad om ze te dakken. Zodra ik effe van de worf kan, ga ik er achter an, beste man.” Nou ja, dat ‘beste’ meende hij niet echt.
De veldwachter ging verder: “Over een week moet het opgelost zijn, anders zal ik maatregelen nemen.” En na dit gezegd te hebben, ging hij weer.
Wat wil nu het geval: er waren een paar jongens uit de Kattehoek, die een kano hadden en de eendjes wel wilden vangen. Ze brachten ze naar de eigenaar en kregen er per stuk wat geld voor. Hoeveel ze voor elke gevangen eend kregen, weet ik niet meer. Maar een zakcentje konden ze vast goed gebruiken en zo hebben die jongens alle eendjes gevangen en er zwom er geen ‘ientje’ (eentje) meer los. Iedereen blij en de veldwachter blij, tenminste, dat zou je denken.
Fout gedacht! Want wat gebeurde er twee weken later? Daar stond onze dorpsveldwachter weer bij de eendenhouder op het erf. “Zo…”, zei de eendenboer. “Ben je d’r weer, wat heb je nou weer?”
En weer antwoordde de veldwachter met norse stem: “Je hebt die eenden laten dakken. Ik heb klachten gehad uit de
Dokter Keijzerstraat dat ze weg zijn. De mensen vonden het zo’n mooi gezicht al die eendjes in het water. Ik vind dat je ze weer los moet laten.”
De eendenhouder keek de veldwachter eens aan en zei: “Wat denk je nou zelf, eerst kom je zeiken dat ik ze moet dakken omdat de mensen er last van hebben. Dat is dus niet waar, ze moesten gewoon van jou gedakt worden. En nou kom je zeiken dat ik ze weer los moet laten. Nou veldwachter, je kan van mij de pot op. Ze zitten weer in het hok en ze blijven in het hok!”
“Dan zal ik er werk van maken!”
“Je doet maar wat je niet laten kan. Ik wacht het wel af!”
De eendenhouder heeft er nooit meer iets van gehoord. En zo zie je maar weer, er is altijd wel wat met de eenden in het dorp.
Siem Meijn en Sonja Duba