Milja Overweg met podcastmakers Rose en Marnix.
Milja Overweg met podcastmakers Rose en Marnix. (Foto: Henk Spaan)

Bij ons in Amsterdam: Milja Overweg

Amsterdam 750

AMSTERDAM - Ooit was er een Amsterdam waar kinderen nog leerden zwemmen aan een hengel, ouvreuses de bioscoopbezoekers naar hun plaats begeleidden en de kinderen in Amsterdam-Zuid nog rosetjes oefenden voor de ijsrevue. In de nieuwste aflevering van podcastserie Bij ons in Amsterdam gaat het over de omgeving van de Utrechtsestraat, waar de tweeling Milja en Milka Overweg geboren werd. In tegenstelling tot de verhalen in eerdere afleveringen, waar de armoede en de problemen de overhand hadden, spreken we nu met Milja, wier vader een succesvol musicus was. 

Milja werd geboren in de Utrechtse Dwarsstraat op 9 september 1928, zij is dus nu 96 jaar. Ze groeide op in de Utrechtsestraat, dat was zo’n honderd jaar geleden ook al een heerlijke winkelstraat met banketbakkers, muziek- en boekwinkels en hooggewaardeerde kledingzaken. Vooral toen er nog geen auto’s reden was het heel fijn dat de moeders met manden vol boodschappen en koopmannen met handkarren uitwaaierden over de hele straat zonder zich belemmerd te voelen door de smalle stoepen. Nog veel langer geleden kwam de Utrechtsestraat uit op de Utrechtse stadspoort, waar nu de Nederlandse Bank gevestigd is. Die poort was één van de Amsterdamse poorten die indringers moest tegenhouden. Er waren meer van diezelfde poorten, zoals de Muiderpoort en de Weesperpoort, die er allemaal hetzelfde uitzagen. Daar was over nagedacht: want zó konden indringers gedesoriënteerd raken.

Wij laten ons meevoeren in haar verhaal over de Utrechtsestraat van vroeger, zoals zij het zich herinnert. “Wij waren de prinsesjes van de Utrechtsestraat”, vertelt ze met enige trots. “Wij waren de dochters van de beroemde accordeonist Johannes Martinus Overweg”, ofwel Jan Overweg. Vader speelde in alle grote theaters, in Carré bijvoorbeeld. Hij trouwde op zijn achttiende met Milja’s moeder Barendina Hermans, een mondige jonge vrouw. Zij was opgegroeid zonder vader in het opvanghuis in de 2e Constantijn Huygensstraat. “Met vijftien jaar stierf haar vader en toen ging ze al werken, maar ze zei dat ze zeventien jaar was. Ja, ze was reuze bijdehand.”

In het Schillerhotel/restaurant aan het Rembrandtplein was het een komen en gaan van artiesten en beroemdheden uit binnen- en buitenland. De bar was het trefpunt van kunstenaars en artiesten. Het lag vlakbij het Tuschinski-theater en Carré zodat het een prettige uitvalsbasis was voor theaterbezoekers. Daar wilde Milja’s moeder werken. “Mijn moeder was een echte koopvrouw”, vertelt Milja. “Ze kocht al gauw de dranken in bij Schiller.” Milja is trots op haar moeder, die ze een sterke vrouw noemt, met gitzwarte haren tot op haar billen en ze was behoorlijk ondernemend wat betreft het imperium aan muziekwinkels dat Jan en Barendina in de loop van de tijd opbouwden. “Moeder was de drijvende kracht daarvan. Vader was vooral musicus.” 

Vader speelde vaak in de avonduren. Ook in het Leidsepleintheater, waar hij menig slokje drank naar binnen werkte, hij kwam ook vaak aangeschoten thuis, maar had altijd een vriendelijke dronk. “Je most je eigen de pokke werken”, vertelt Milja. “We hadden vijf muziekwinkels, die alle vijf goed liepen.” 

‘Je most je eigen de pokke werken’

De tweeling Milja en Milka ging altijd samen over straat. Ze waren gekleed volgens de laatste mode uit Maison de Bonneterie, een weelderig modewarenhuis dat in de Kalverstraat zat. Die zaak beviel Milja beter dan De Duif, die in de Utrechtsestraat zat, maar die wat stijve dameskleding verkocht. “Wij noemden dat een truttenwinkel”.

De meiden waren dol op moorkoppen, maar een ananastaartje bij banketbakkerij Houtman ging er ook wel in. Ze herinnert zich ook nog levendig dat de Gamba naast de Cineac heerlijk ijs verkocht. De tweeling kreeg net als andere kinderen wel boterhammen mee, maar die wilden de meisjes niet. “We wilden lekker snoepen, geen boterham met kaas!” 

Hoewel de zusjes altijd samen over straat liepen kwamen er ook andere vriendinnetjes op hen af. “Wij waren heel populair en hadden geen gebrek aan aandacht”, waarbij het feit dat ze geld hadden een rol speelde. De vriendinnetjes gingen mee naar de banketbakker, mee naar de snoepwinkel, zoute dropjes halen, of duimdrop, maar er was één vriendinnetje, Stella Vleeshouwer, waarmee de meisjes het heel goed konden vinden. Ze speelden op straat diefje-met-verlos, en ze gingen veel rolschaatsen. Stella had zelf ook rolschaatsen.

Haar vader was bontwerker, hij maakte bontjassen. Zij woonden in de Kerkstraat – “De Utrechtsestraat was een Joodse buurt” - en zij waren ook Joodse mensen. “Wij werden wel aangesproken omdat we een Joods vriendinnetje hadden, maar dan zeiden wij dat Joden echt niet afgeven hoor!“ Milja en haar moeder lieten er geen onduidelijkheid over bestaan: het kon hen niet schelen of ze Joods waren of niet. Ze weigerden onderscheid te maken.

“Mijn moeder had heel lang gitzwart haar en daardoor een Joods uiterlijk, waardoor ze vaak werd aangesproken. Ze zei dan niet dat ze geen Jodin was, ook niet dat ze wel Joods was, nee, ze zei dat ze Limburgs was!”

Intussen was de oorlog uitgebroken en de meisjes zaten toen in de vijfde klas op een basisschool, maar daar moesten ze vanaf: “Wij waren zo donker.” Het wordt niet precies duidelijk of ze van school moesten omdat ze voor Joods werden aangezien, maar daarna zijn ze niet meer naar school geweest. Tot op de dag van vandaag wordt Milja nog gevraagd of ze van Joodse afkomst is. “Dan zeg ik: nee, ik ben Milja.”

De familie had in de kelder en kamer gemaakt voor een Joodse onderduiker. Davy, maar hij zal wel David geheten hebben. Op een dag wilde hij de kamer uit, maar dat vond moeder geen goed idee. Je kon al niet met teveel boodschappen tegelijk over straat lopen want dat kon erop duiden dat er meer mensen aan tafel zaten. Toch werden ze regelmatig aangezien voor Joden en dan zeiden zij in koor “Wij zijn mensen!”

De broer van de meisjes heette Jantje. Die was tewerkgesteld in Duitsland, maar na de oorlog is hij helemaal naar Amsterdam komen lopen. Hij zat onder de luizen, zoals zovelen. Zo goed en kwaad als het ging pakte moeder na de oorlog het werk in de winkels weer op, maar nu zonder vader, want het huwelijk was op de klippen gelopen. Vader had een vriendin en toen zei moeder dat hij eruit moest. Milja en Milka hadden intussen een nieuwe passie: schaatsen. Op de Prinsengracht lag ijs en er werd geschaatst. En de meisjes vonden het heel normaal dat ook zij direct voorzien werden van mooie schaatsen. Eerst schaatsten ze op de Prinsengracht, maar later leerden ze kunstschaatsen op de ijsbaan in de Apollohal. Na heel veel jaren trainen, werden ze aangenomen bij de IJsrevue.

Meer weten? Beluister de complete podcast op Spotify, Apple Podcasts en Podimo of via deze link: https://podcasters.spotify.com/pod/show/bijonsinamsterdam.

Barbara van Wijk