
Terug naar Artis
Amsterdam 750Ik heb lang in Amsterdam gewoond – geboren in Osdorp, na vijf jaar verhuisd naar Amsterdam-Noord en daarna mijn heil gezocht in Tuindorp Oostzaan – en natuurlijk namen mijn ouders mij en mijn broers vroeger vaak mee naar Artis. Een rij kleurige papegaaien op stokken zorgde voor een vrolijk welkom, de apen waren goed voor veel hilariteit en een van de hoogtepunten was ons bezoek aan de roofdieren.
Bij de zwarte panter en Siberische tijger viel niet zo gek veel te beleven. Maar ja, wat kon je verwachten? Ze verbleven in een nogal krappe behuizing en konden niets anders dan heen en weer lopen – een meter naar links, en dan weer een meter naar rechts. Dat werd al gauw een beetje saai - en niet alleen voor ons. Nee, dan de leeuwen. Die hadden veel meer ruimte en maakten er wat van.
We mikten het natuurlijk wel zo uit dat we daar op de voedertijden waren. Die stonden op borden aangegeven. Grote stukken rauw vlees werden naar buiten gesmeten en daar zetten de leeuwen dan lekker hun tanden in.
Nooit zal ik vergeten hoe een mannetjesleeuw zich van zijn meest sociale en genereuze kant liet zien. Er lag een stuk vlees voor zijn neus, maar in plaats van daar eens uitgebreid en ongegeneerd op te gaan zitten kauwen, pakte hij het op en schonk het aan de leeuwin, die een paar meter verderop lag en helemaal niets had. Een heel mooi gebaar.
Alle omstanders begonnen spontaan te applaudiseren. De leeuw keek verbaasd op, maar kon deze enthousiaste reactie niet plaatsen; kennelijk vond hij het niet zo bijzonder om zijn echtgenote iets te gunnen. Dus haalde hij zijn schouders maar even op.
De herinneringen kwamen allemaal weer boven toen ik een paar maanden geleden, na tientallen jaren, met mijn vriendin en bonuskleinzoon Johnny Artis bezocht. Er was veel veranderd. Sommige dieren waren er niet meer. Zoals de panter en de tijger. Ook de ijsberen ontbraken. Maar ja, ook zij konden niets anders doen dan ehh... ijsberen. Jammer dat ze er niet meer zijn, maar ik gun ze een plek waar ze het meer naar hun zin hebben.
Er bleek nog een diersoort te ontbreken, en dat betreur ik enorm: de zeekoe. Om de zeekoe moest ik altijd verschrikkelijk lachen. Zijn plompe verschijning – ja, sorry hoor – maar vooral de toeren die hij uithaalde: zich langzaam oprichten en dan achterwaarts in het water plonzen, met een enorme golfslag als gevolg. Op de kant klimmen en dan opnieuw. En dat keer op keer. Zó’n koddig gezicht.
Later heb ik dit tafereel weer eens mogen meemaken. Niet in Artis, maar in het Dolfinarium in Harderwijk. Ik zat op de tribune met een neefje dat ik had meegenomen en ik kon me nauwelijks inhouden.
Elke keer als dat logge beest te water ging schoot ik in de lach. Het ontaardde in een enorme meligheid en bijpassende lachstuipen en dat bleef niet onopgemerkt. Ik was namelijk de enige die hier de humor van inzag. De eerste hoofden werden omgedraaid en op een zeker moment stond ik meer in de aandacht dan de zeekoe. Mijn neefje begon steeds bedenkelijker te kijken. Het leek me uiteindelijk verstandig om maar ijsjes te gaan halen.
Ik verwacht binnenkort weer met vriendin en Johnny naar Artis te gaan. Dan zal ik het opnieuw zonder zeekoe moeten stellen. Heel jammer, maar aan de andere kant: misschien is het beter zo.
Marcel van Stigt