
Column Marcel van Stigt: Alaaf!
ColumnVan carnaval moet ik helemaal niets hebben. Maar toch heb ik me een keer aan deze voor mij onbegrijpelijke vorm van volksvermaak gewaagd, zij het met grote tegenzin. Het werd een regelrechte ramp.
Het drama heeft zich lang geleden voltrokken. Eind januari was ik te gast op een familiefeestje en daar sprak ik een neef die ik al enige jaren niet had gezien. Hij was naar Geleen verhuisd. Op een cruciaal moment kwam het onderwerp carnaval ter sprake. Hij nodigde me uit om tijdens de komende editie gezellig met hem en enkele vrienden mee te doen. Ik verkeerde in een luimige, onbevangen bui en hoorde mezelf “Ja, leuk, doen we!” roepen.
Drie dagen voordat het carnavalsgedruis zou losbarsten, belde hij me. Hij stelde voor dat ik me in de loop van de middag bij hem zou aandienen. Vanzelfsprekend kon ik bij hem blijven slapen. En, o ja, hij zou zelf een pak regelen. Maar mijn toezegging was ik uiteraard glad vergeten. Maar ik had ja gezegd en kon niet meer terug.
Met nat zand in de benen ben ik naar Geleen gereden - tijdelijk omgedoopt in Waereldsjtad. Tegen vijven klopte ik bij mijn neef aan. Zijn drie maten waren er al. En ze hadden er gevaarlijk veel zin in.
Na de nasi goreng werd het hoog tijd om de kostuums aan te trekken. Ik hield mijn hart vast. De vier hadden bedacht als de woest beschilderde rockband Kiss - zo lang is het dus al geleden - te gaan. En ik? Voor mij hing de complete uitrusting van Elvis Presley klaar. Een wit glitterpak, inktzwarte pruik en een bijpassende zonnebril. Ik kreeg het behoorlijk benauwd toen ik het zag. En toen ik van gedaante was gewisseld en met ingehouden adem in de spiegel keek, begon de zojuist naar binnen gewerkte saté zich onheilspellend te roeren.
Gelukkig was ik niet de enige die voor joker liep. Eenmaal in het café wist ik me omringd door een bont gezelschap. Iedereen was verkleed. Van heks tot boer, van draak tot suikerspin. Erg vrolijk werd ik er niet van.
Geloof me, ik heb mijn uiterste best gedaan om er nog iets van te maken. Het is me niet gelukt. Integendeel. Steeds chagrijniger werd ik. Maar het ergste moest toen nog komen.
In het café stond een verhoogd podium. Daar zou een lokale artiest optreden. Die kwam echter niet opdagen. Er ontstond wat onrust, maar de uitbater zorgde voor een alternatief. Een karaoke-show. De apparatuur had hij in huis. Onder zijn leiding werden diverse bezoekers op het podium uitgenodigd. En, hè, daar ontwaarde hij ineens Kiss. Die moest hun grote hit ‘I was made for loving you’ maar even live komen zingen. Mijn neef en zijn companen vonden het best en namen plaats achter de microfoon. Ze maakten er nog een leuke show van ook, begreep uit de reacties van het publiek. Zelf was ik druk bezig me een weg naar de uitgang te banen. Ik was nu toch aan de aandacht van mijn neef ontsnapt.
Maar die kondigde net het volgende optreden aan. “Ja, dames en heren”, riep hij. “Er is nog een speciale gast aanwezig. Daar bij de deur. Graag jullie applaus voor... ELVIS PRESLEY!”
.