
De stilte van Amsterdam
NieuwsOOSTZAAN - De Valeriusstraat? Je bent hier bij de boeren! Dat was mijn eerste kennismaking met Oostzaan. Het boterde niet, maar inmiddels is het vele jaren later en ben ik volledig geworteld en helemaal verkikkerd op Oostzaan.
Een stad en een dorp verschillen, dat is zeker. In Amsterdam zijn de straten breed en lang, de grote huizen grenzen aan elkaar en zijn wel vijf verdiepingen hoog, met beneden een achtertuin en boven een daktuin. Elk huis heeft twee deuren, één voor de benedenverdieping en bel-etage en één voor de eerste, tweede en derde verdieping.
Het is er dichtbevolkt en eigenlijk kende je alleen de mensen die vlakbij woonden. Alle kinderen speelden buiten, gewoon op het asfalt. Met ‘verstoppertje’ dook je weg achter een geparkeerde auto, want zoveel stonden er nog niet in de vijftiger jaren en je kon er gebukt omheen lopen als degene die ‘m was, je in de smiezen kreeg. Als het regende, mochten we met zijn allen bij de moeder van mijn vriendinnetje in het halletje spelen. Dat kon makkelijk, want eigenlijk was het een groot, ingebouwd klompenhok.
Ook kwam de groenteboer met paard en wagen door de straat, de voddenboer en de schillenboer kwamen langs met een handkar. De melkboer had een wagentje met een ponypaardje ervoor, de visboer ventte zijn verse vis, de aardappelboer had alle soorten aardappels, de broodboer kwam met een bakkerskar vol broden, de eierenboer verkocht verse eieren van de boerderij en reed op een bakfiets en ook de kippenboer kwam met zijn handel door de Valeriusstraat. Ze hadden een ratel, een roep of een bel, zodat je precies wist welke boer er langs kwam. De boer met zijn kar vol pens en ander slachtafval voor de honden, riep ‘Verse waar!’
De olieboer bracht petroleum en de kolenboer hees de kolen naar boven en dan kwam zomers de ijsboer met zijn ijskarretje. Alleen de kaasboer had een winkeltje om de hoek. Maar op woensdagavond, na het eten, kwam de orgelman met zijn draaiorgel in de straat en dan was het feest! Dan hingen de mensen uit de ramen en werd er een kwartje in een stukje pleepapier gerold en naar beneden gegooid. De manser was dan zo gehaaid dat hij het in zijn mansbakje opving en lachend naar boven keek en aan zijn pet tikte.
Af en toe ga ik nog naar Amsterdam. Dan spreek ik af met mijn vriendinnetje van vroeger uit de Valeriusstraat en dan gaan we lunchen in de Schreierstoren aan de Prins Hendrikkade, de enige overgebleven verdedigingstoren van de stad. Hij dateert uit de vijftiende eeuw en was onderdeel van de stadsmuur, die met poorten en torens aan elkaar verbonden was, om zo de stad beter te kunnen verdedigen tegen aanvallen van buitenaf. Vanuit de Schreierstoren was er een goed uitzicht over het IJ en zo kon men de vijandelijke schepen, die over de Zuiderzee binnen kwamen, zien aankomen en onder vuur nemen.
Terwijl we daar gezellig op het terras zaten, moest ik ineens denken aan de Oostzaanse melkboeren die met hun melkschuiten naar Amsterdam voeren om op de melkmarkt aan de Prins Hendrikkade hun melk te verkopen. Het was eind negentiende eeuw en ze zeilden over het IJ, want dat ging sneller dan roeien. De melk werd vervoerd in houten vaten en op de kade stonden de melkventers klaar om de melk naar de wijken te brengen, waar het aan de deur werd verkocht. Sommigen droegen een juk. Amsterdammers kwamen er ook zelf hun dagelijkse melkvoorraad halen. De melkmarkt was een levendige plek en lag achter de Sint Nicolaaskerk.
Als ik nou eens de plek waar de melkmarkt ooit was geweest, van bovenaf kon fotograferen. Zou dat niet leuk zijn voor een verhaaltje in de krant? Na enig overleg klom ik de twee houten wenteltrappen op en kwam boven onder het dak van de Schreierstoren terecht. Dikke houten balken houden daar de boel bij mekaar en rondom zijn allemaal vierkante glas-in-loodraampjes, van waaruit je een goed zicht hebt over de Prins Hendrikkade aan de voorkant en de Geldersekade aan de achterkant.
Mijn plannetje ging helaas niet door, want de Sint Nicolaaskerk staat ervoor. Bovendien is er niets daar beneden wat nog enigszins doet denken aan die tijd van vroeger.
Hoge nieuwbouw, rijen auto’s, razendsnelle fietsers en krioelende mensen. Laat maar, dacht ik, en liep naar de achterkant van het dak, waar ik door zo’n oud glas-in-loodraampje over de Gelderse kade heen in de verte de oude Montelbaanstoren zag staan. Ook hij was ooit een verdedigingstoren en hij had de bijnaam ‘Malle Jaap’, omdat zijn klokken soms spontaan begonnen te luiden, waarna ze dan weer dagenlang stilhielden.
Wat een verademing, de rust en de schoonheid van dat mooie stukje Amsterdam kwam mij tegemoet. Het was een bewolkte, maar zonnige dag en het water schitterde in de gracht. Hoe kan dat? Ik had maar een paar passen gemaakt van voor naar achter. En even kon ik het bijna geloven. Het is stil in Amsterdam!
Nadat ik afscheid had genomen van mijn vriendinnetje van vroeger uit de Valeriusstraat en op de pont stond te mijmeren over al dat moois van Amsterdam, fietste ik op mijn gemak naar Oostzaan in de wetenschap, dat ik daar, ondanks alles, toch het liefste ben.
Sonja Duba