
‘Maken ze daar nou bier van?’
NieuwsOOSTZAAN - Dicht bij de stoeprand naast een bruggetje, aan de Dahliasingel in Oostzaan, staat een enorme woudreus. Om de dikke stam slingert een prachtige hopplant die na de zomer tot bloei komt. Dan verschijnen er kleine en grote bloemen. Dat zijn de hopbellen, die na een tijdje veranderen van lichtgroen in strogeel. Ze springen in het oog en mensen blijven staan. Ze kijken en voelen en zeggen verbaasd: “Kijk…dat is Hop ! Wat leuk!” “Het lijken wel kleine dennenappels.” “Wat voelen ze droog aan, net papier.” “Mooi hè!” “Maken ze daar nou bier van ?” Nou en of!
In de late Middeleeuwen waren de monniken belangrijke bierbrouwers. Ze brouwden voor hun eigen abdij. In die tijd was bier veilig om te drinken, want het was schoner dan water uit de put of uit de rivier. En als ze moesten vasten, hadden ze met dat bier, toch nog wat vullends in hun buik. Die monniken waren slimme kerels. Ze probeerden van alles uit om het bier beter en lekkerder te maken en, wat heel belangrijk was, ze schreven ook nog alles netjes op.
Op een dag ontdekten ze dat aan de bosranden en rondom de kloosters en abdijen een bijzondere plant groeide, de hop. Hij slingerde zich omhoog langs bomen en hagen, regelrecht naar het licht en in de nazomer droeg hij zijn groene bellen. Toen ze de rijpe hop tussen hun vingers wreven, roken ze een verrukkelijke combinatie van grasachtig, bloemig, harsig, dennenachtig, citrus en aards. Ze raakten verrukt van dat kruidachtige en namen wat stekken mee voor in de kloostertuinen. Nu kon hun eigen hop, langs staken of touwen, als een klimplant meters hoog groeien. En als het goed in het blad zat, leek zo’n hele rij met van die groene slingers, wel een muur van planten.
In de nazomer, als de bellen rijp waren, begon het werk. Met vele handen plukten ze de hopbellen één voor één van de ranken en de lucht was vol van de geur van hop. Als ze genoeg hadden, droegen de monniken de volle, zware manden naar de keukens van het klooster. Daar kookten ze de bellen mee in de brouwketel. En als het borrelde, kwam het schuim omhoog en vulde het hele klooster zich langzaam met die kruidige damp.
De monniken proefden het bitterzoete aroma en voelden de rustgevende werking van het kruid. Het gaf niet alleen een lekkere frisse smaak, maar het bier bleef ook langer goed en ze konden het bewaren en verkopen aan het volk in de omgeving. Zo werd het bekend in de omliggende dorpen en steden. En daarmee werd het kloosterbier de voorloper van het bier zoals we dat nu kennen.
Bier is een heel oud drankje. We drinken het al eeuwenlang en zonder de hop zou er geen bier zijn, zoals we dat nu kennen. Eigenlijk is het in de kloosters ontstaan.
Al het voedsel uit de natuur, waaronder ook hop, werd door de Middeleeuwse kloosterlingen als een geschenk van God beschouwd. Ze bakten hun brood, stoofden hun potje boven het vuur, braadden het vlees en brouwden hun bier met geloof en wijsheid, zoals alleen de monniken dat konden.
Sonja Duba