Afbeelding
(Foto: Aangeleverd)

Bij Ons in Amsterdam: Luc van der Kolk

Amsterdam 750

AMSTERDAM - Ooit was er een Amsterdam waarin je leerde schoonschrijven met een kroontjespen, de tijd waarin kinderen nog peren pikten en ze moesten uitkijken geen ‘roeier’ tegen hun achterwerk te krijgen. Het podcastteam van ‘Bij Ons in Amsterdam’ tekent een serie van twaalf verhalen op van oude Amsterdammers met een bloemrijk verleden, onder het motto “Kleine geschiedenissen uit de Grote Stad.” Deze maand het levensverhaal van Luc van de Kolk, 96 jaar. Hij woonde als kind in (toen nog) gemeente Sloten, bij Amsterdam.

Het team van ‘Bij Ons In Amsterdam’ spreekt Luc in het herstel- en zorgcentrum Nellestein in Amsterdam Zuid-Oost. Luc vertelt dat hij veel van muziek houdt en prompt komt de Jordaan ter sprake. Luc was bevriend met het broertje van Manke Nelis en die was de zwager van Johny Meijer, een Amsterdamse accordeonist, een virtuoos op zijn instrument. Amsterdamse lofliederen, vaak met accordeon, raakten de Amsterdammers recht in het hart.

Voor een jongen uit Sloten heeft Luc behoorlijk veel ‘stadse vrienden’ gemaakt, maar hij is ze vrijwel allemaal kwijtgeraakt. Hoe dat komt, legt hij uit. “Een paar jaar geleden was ik levensbedreigend ziek, zodanig dat de dokter dacht dat ik zou komen te overlijden. Mijn dochter dacht toen de boel te gaan opruimen en ze haalde het hele huis leeg.” Luc kon dus niet meer naar zijn huis toen bleek dat hij weer opknapte. Voor tijdelijk werd hij naar dit huis overgebracht, maar ja, hier zit hij ook alweer anderhalf jaar.

Sloten als dorp is driehonderd jaar ouder dan Amsterdam. Het was lange tijd een eigen gemeente, maar toen Sloten zo’n negenhonderd jaar was werd het dorp door Amsterdam geannexeerd in 1921. In die tijd was er ook al een tekort aan woningen. De gemeente Sloten grensde aan Amsterdam-West, maar Luc woonde een stuk verder bij de stad vandaan. Daar waar het ook tegenwoordig nog behoorlijk dorps aandoet, ondanks de vele nieuwe bebouwing er omheen.

‘Dat cachotje is heel erg bekend! En het staat er vandaag de dag nog steeds’

In Lucs tijd was het nog een echt dorp met eeuwige landschappen, tuinderijen en heldere slootjes en het kleinste politiebureautje, dat cachotje werd genoemd, van Nederland was daar. “Dat cachotje is heel erg bekend! En het staat er vandaag de dag nog steeds. Ja, want een aantal jaar geleden heb ik nog bijgedragen aan een opknapbeurt van het huisje, het is toch zonde als zoiets ouds verloren zou gaan!”

De vader van Luc runde een kruidenierswinkeltje aan de Sloterweg en hij hield er kippen en andere dieren. “Ja, gewoon in het tuintje achter het huis. Hij verkocht de eieren in de winkel. We hadden daar dertig kippen… dat is het voordeel van buiten wonen.”

De familie Van der Kolk was groot, althans, dat vinden we nu. “We hadden negen kinderen. Dat is niet eens veel, bij mijn vriend thuis hadden ze dertien kinderen!” Als kind hielp Luc geregeld in de winkel. Er lag een boek met de namen van alle klanten. Eén bladzijde per klant. Daarin schreven we precies de boodschappen op: een pond zout, enzovoort. Ze betaalden eind van de week. Mensen waren heel arm en eind van de week hadden ze geld gevangen en dan kwamen ze zaterdag betalen. Er waren er ook die konden niet betalen, ja, dat was overal, er was zo’n armoede.“

‘Je had een inktpot. Je moest die pen indopen en dan kon je schrijven’

Recht tegenover hun huis stond de RK St. Josefschool waar Luc zijn lessen volgde. “Ik zat in de klas met achtenveertig leerlingen. Jongens en meisjes gescheiden in vier rijen: twee rijen met jongens, twee rijen met meisjes.” Luc leerde er schoonschrijven met een kroontjespen. “Je had een inktpot. Je moest die pen indopen en dan kon je schrijven, de inkt spatterde snel en je moest ook niet te hard drukken want dan kwam er wel eens een vezeltje van het papier aan de pen en dan had je meteen een lelijke letter”. 

Lezen leerde hij met behulp van grote platen aan de muur met afbeeldingen van Aap, Noot, Mies, die door de leraar werden aangewezen met een lange stok. “Haha, ik zie ze nog voor me.“ Niet alleen de platen aan de muur, maar ook de leraren en leraressen ziet Luc nog zo voor zich. “De eerste was juffrouw Troutwijn. Een ongetrouwde vrouw. Dan had je juffrouw Kramer, die kwam uit Amsterdam, derde was juffrouw Evers, vierde was meester Wegenhuizen.” 

‘Meester Schuuts woonde tegenover ons. Een hele moeilijke man’

Maar er was één leraar die in Lucs herinnering gegrift staat en dat is hoofdonderwijzer Schuuts. “Meester Schuuts woonde tegenover ons. Een hele moeilijke man. Geen prettig persoon. Hij keek altijd nors en was heel streng. Hij gaf ons zangles maar kon zelf helemaal niet zingen. Dan nam hij een stemvork en daarmee probeerde hij zelf de wijs te houden. Allemaal van die kinderachtige liedjes… ja, dat vinden we nu, bijvoorbeeld ‘Knaapje zag een roosje staan’, ‘Roosje op de heide…’, allemaal van die stomme liedjes.”

Als Luc thuis kwam van school moest hij helpen. “Dan kwam ik thuis en dan wilde ik buitenspelen, maar er was altijd wel wat te doen. Dan moest ik bijvoorbeeld het gras keren. Of matten kloppen. Moeder was dol op matjes, voor elke deur lag zo’n matje en die moest ik dan kloppen.” Vaak werd hij dan hartelijk uitgelachen door zijn klasgenootjes. Maar Luc was niet het enige kind dat af en toe werd uitgejouwd, zelf was hij ook niet vies van een potje leedvermaak. Luc kroop graag samen met zijn vriendjes in de stekelbosjes om toe te kijken hoe de arme Jan Kompier zijn vader onder ogen moest komen.

‘We wilden graag een eindje gaan varen door de landerijen heen. Daar zaten de slootjes vol met vis’

“We wisten dat hij er met een lange ‘roeier’ van langs kreeg.” Het was de eerste keer dat het podcastteam het woord ‘roeier’ hoorde uitspreken, maar Luc legt fijntjes uit wat dat is en nu weten ze het. Het begon allemaal met het pikken van een bootje. “Dat bootje was van meneer Kroon. Dat gingen we met een paar vriendjes pikken. We wilden graag een eindje gaan varen door de landerijen heen. Daar zaten de slootjes vol met vis.” 

De jongens roeiden hard weg met het ‘geleende’ bootje en hadden een geweldige tijd op het water, maar dorpsgenoten sloegen alarm over de jongens op de boot. Eens werd de uitbater van café Kerkzicht, Henk Kompier, ingelicht dat zijn zoon Jan Kompier plezier aan het trappen was op andermans boot. Luc herinnert zich Henk als een grote vent met hele lange benen en altijd op pantoffels. Hij was heel streng en aarzelde geen moment om dronkenlappen subiet uit het café te zetten en zijn zoon Jan wist maar al te goed wat er boven zijn hoofd hing als zijn vader hem snapte.

Het gezin Kompier had drie kinderen: Jan was de oudste, hij had twee zusjes. “Jan was zo’n eigenwijze knaap, verschrikkelijk!” Als Henk hoorde dat zijn zoon kattenkwaad aan het uithalen was, dan stierde hij op zijn pantoffels door het veld. Met grote passen liep hij naar de kant van de sloot en begon hard te schreeuwen naar de ondeugende snaken in het bootje. “Alleen kon hij niet bij ons komen en dus roeiden we toen snel een eindje verder waar we de boot bij een boer afmeerden.” Luc moet er nog om lachen. 

‘Hij wist dat zijn vader hem bij het hek stond op te wachten met die lange benen’

De vaartocht was afgelopen, maar het grootste vermaak moest nog beginnen. Het was een soort vermaak dat tegenwoordig niet meer zou kunnen, maar honderd jaar geleden was het doodnormaal dat kinderen afgeranseld werden als ze wat hadden uitgevreten. “Jan liep met ons mee maar halverwege bleef hij achter. ‘Hé Jan, kom op we moeten naar huis!’ Ja, maar mijn vader, jammerde hij. Hij wist dat zijn vader hem bij het hek stond op te wachten met die lange benen.” 

De jongens liepen samen naar het dorp, maar Jan treuzelde steeds meer naarmate hij dichter bij zijn huis kwam. Waar Jan naar zijn huis liep, renden de andere jongens naar de stekelbosjes die stevig prikten, maar dat hadden ze ervoor over, want de ‘roeier’ werd toegepast: een flinke rottrap met die lange poten van hem. “Jan werd door de hele schuur heen getrapt.”

Lijfstraffen waren in de jaren dertig aan de orde van de dag. Op school waren er ‘de oorvijg’, de liniaal en de aanwijsstok. Maar ook een agent gaf je een schop, als je hem voor de voeten liep in de buurt van het politiebureau. Je had daar Dijkema en De Klerk. “De Klerk was een lange vent, Dijkema was een klein kereltje, die zijn pet altijd ver over zijn oren had getrokken”, vertelt Luc. “Ze hingen altijd ergens rond bij het cachotje, ze waren haast nooit binnen en als er een kind in de weg liep dan schroomden ze niet om een trap uit te delen.”

Toch weerhield het de jongens er niet van kattenkwaad uithalen. “Zo lieten we op een keer de koeien van een boer los en toen waarschuwde iemand de boer: ‘Hé, je koeien lopen los door het dorp’. En dan stonden wij ergens verdekt opgesteld om het gedoe te bekijken.” Ook pikten de jongens wel peren uit de tuin van de dominee. Ze slopen langs het paadje naar de perenboom in zijn tuin. Die peren waren niet te eten, veel te hard nog, maar het ging om de spanning.

Desondanks had Luc, net als iedereen, wel ontzag voor de burgemeester en voor het gezag. Ook voor de hoofdonderwijzer, of de geestelijke. “Toch was ik geen braaf jongetje”, zegt Luc. Hij speelde graag buiten, dronk water uit de sloot en ging graag vissen of kikkers vangen. Hij kuierde over de landerijen op zoek naar kikkers in de slootjes.

Toen hij dertien jaar was werkte hij elke zaterdag bij een tuinderij. Verschrikkelijk saai vond hij dat, maar vader had dat beslist dus moest dat. Acht uur was het voor hem kinderbedtijd, maar in de schoolvakantie, toen Luc elf jaar was, stuurde vader hem al om half acht naar bed. “Maar ik mag toch om acht uur naar bed?”, sputterde Luc. “Ja, maar je moet vroeg naar bed want ik heb morgen een boer voor je. De volgende ochtend bracht vader hem in alle vroegte naar de boer waar hij sperziebonen moest gaan plukken. Hele velden sperziebonen! De boer leerde hem waar hij op moest letten. Het waren hele lange dagen, het was doodstil, er waren geen andere kinderen, hij was helemaal alleen…”

‘Het was een hele slechte tijd, daarom hebben we de winkel ook opgedoekt’

Dat jaar vielen de Duitsers ons land binnen en liepen ze ook in het dorp. Ze kwamen graag in de kroeg van Henk Kompier, die open moest blijven van hen. De jonge mannen van het dorp vreesden voor hun leven, omdat ze steeds vaker te werk werden gesteld. De Arbeitseinsatz noemde de bezetter dat. Veel mensen in de stad hadden weinig te eten en trokken naar de boeren om wat eten, aardappels en groente mee naar huis te kunnen smokkelen. Luc zag deze zaak vanaf de andere kant. Als hij bij de tuinderij werkte zag hij de Amsterdammers langskomen op zoek naar voedsel. Ze bedachten van alles om het eten mee naar huis te brengen. Lopend of met de fiets, vaak zonder banden om de velgen, gewoon met rubberen stroken er omheen, gesneden uit oude autobanden. “Het was een hele slechte tijd, daarom hebben we de winkel ook opgedoekt, want er was gewoon niets meer te koop.”

Intussen zat Lucs vader bij de ondergrondse. Daar waren ook twee Nederlandse SS’ers ondergedoken in de schuur van een vriend. “Met die ene vriend ging ik wel eens zwikken, kaarten dus, daar waren SS’ers bij die ondergedoken waren, die wilden niet meer terug. Ze waren aan het Oostfront geweest, maar zaten nu ondergedoken. “Ja, dat was heel erg gevaarlijk, daar stond de doodstraf op, je kon zo doodgeschoten worden als ze je pakten.”

‘’ Die jongens kwamen uit München en daar babbelde ik gewoon mee’

Luc ging met iedereen om. Hij zat te kaarten met de jonge SS-delinquenten en maakte praatjes met de Duitse soldaten die op de hoek van de straat stonden, die waren zo rond achttien jaar. Ook liep Luc gewoon buiten al was het na spertijd als de Amsterdammers in hun verduisterde huizen moesten blijven. “Die jongens kwamen uit München en daar babbelde ik gewoon mee. Je hoorde elke nacht de vliegtuigen grommend overvliegen. Duizenden! Daar praatte je niet over! Mijn ouders gluurden naar buiten en zeiden ‘Daar staat iemand te praten met die Duitsers’. Ha, ha…. dat was ik, maar ook die Duitser zei niet tegen mij dat ik naar huis moest omdat het spertijd was. Vandaag de dag zou ik het niet meer durven, maar in die tijd was ik zestien jaar.”

Alleen mannen vanaf achttien jaar werden opgepakt voor de Arbeitseinsatz om in Duitsland onder barre omstandigheden te werken. Rond zijn zestiende vond Luc een nieuw baantje, of liever gezegd, het baantje vond hem, via zijn vader. Op het Singel zat een grossierderij in zuivelproducten, die leverde ook aan winkels. Die zaak had een fietsjongen nodig om de pakken boter en kaas naar klanten te brengen. De baas vroeg aan Lucs vader of hij één van zijn sterke zonen mocht inhuren. Dat mocht. En Luc was blij dat hij dan van het sperziebonen plukken af was.

Maar Luc was nog nooit echt in de stad geweest: “Ik ben geen stadsmens!” En toen moest hij op een dag twee grote kazen wegbrengen. Hij was nog nooit verder dan het Hoofddorpplein gekomen en moest toen met die kazen om de hoek zijn, in de Raadhuisstraat. Maar... uiteindelijk kwam hij helemaal in Sloterdijk uit. Zijn baas dacht hij verongelukt was, urenlang bleef hij weg. “Ja, ik heb de hele stad gezien, dat wel, maar al fietsend heb ik de stad heel goed leren kennen. Maar dat is lang geleden.” Nu zit hij in een verzorgingshuis in de Bijlmer en binnenkort verhuist de hele instelling naar Vondelstede bij het Vondelpark. Luc en het podcastteam worden getrakteerd op een kopje champignonsoep en de makers vragen zich in gemoede af hoe ze in vredesnaam die enorme rijkdom aan verhalen van Luc in maar één podcastaflevering krijgen.

Wie Luc zijn verhaal zelf wil horen vertellen in ‘Bij Ons in Amsterdam’, kan het beluisteren op alle bekende platforms (Spotify, Apple Podcasts, Podimo) of via podcasters.spotify.com/pod/show/bijonsinamsterdam. Er verschijnt elke maand een nieuwe aflevering, tot op de 750ste verjaardag van Amsterdam.

Barbara van Wijk