
Herinnering aan een dorp dat nooit helemaal verdween
NieuwsOOSTZAAN - Het is een frisse herfstdag in Oostzaan. Het land is nog nat van de regen en de paden zijn zompig. Overal ruikt het naar gras, en houtrook, die uit de lage huizen opstijgt. Bij de Grote Kerk is bedrijvigheid, er staan houten steigers langs de muren en timmerlieden en metselaars zijn druk in de weer.
De oude kerk heeft plaats gemaakt voor een nieuw gebouw met rechte muren en een houten toren. De voorgevel is aan beide kanten versierd met een sierlijke rococokrul, een stijl die toen helemaal ‘in’ was.
Aan de rand van het pad staat een man met een grote leren map onder zijn arm. Het is Hendrik de Winter, afkomstig uit Amsterdam, Hij heeft het vak geleerd van de tekenmeester Cornelis Pronk, een man die bekend stond om zijn nauwkeurige tekeningen van steden en dorpen.
Van zijn leermeester weet hij dat een tekening meer is dan een kunstwerk. “Teken wat je ziet, niet wat je denkt te zien”, had Pronk hem eens gezegd. “Want later moet men kunnen zien hoe een plek er werkelijk uitzag.”
Die woorden klinken nog in zijn gedachten, terwijl hij zijn driepoot neerzet. Hij opent zijn map, klemt het papier vast en met zijn pennen en inkt schetst hij voorzichtig, maar met vaste hand, de lijnen van de nieuwe kerk.
Dorpsbewoners lopen langs en kijken nieuwsgierig naar de tekenaar en zijn werk. Voor hen is de kerk het hart van het dorp. Hier worden kinderen gedoopt, huwelijken gesloten, en namen van de overledenen hardop voorgelezen. Maar voor De Winter is het ook een stuk geschiedenis dat bewaard moet blijven. Hij weet dat de wereld verandert, en dat zijn hand de herinnering kan vasthouden.
Het dorp leeft om hem heen. Boerenvrouwen met manden aan hun arm en mannen met hoeden lopen langs. Een visserman staat te hengelen in de sloot en in de verte klinkt het slaan van hamers en het roepen van metselaars. De Winter tekent onverstoorbaar door.
Op papier groeit het beeld van Oostzaan in 1761. De kerk in volle glorie, de huizen en de boerderijen met houten gevels, ramen met kleine ruitjes en rook uit de schoorstenen. Houten schuren, open ruimte tussen de huizen met daaromheen kromme weggetjes, slootjes en weiland daarachter. Links op de prent tekent De Winter een smal, bakstenen huisje, twee ramen breed en een klokgevel.
Ervan uitgaande dat Hendrik ook werkelijk tekende wat hij zag, is er van dat mooie huisje niets overgebleven. Maar als we kunnen vertrouwen op zijn hand, dan zou het niet ver van het Weeshuis op het Zuideinde hebben gestaan, toen het buitenhuis van een welgestelde dame.
Het bochtige pad naar de kerk heeft Hendrik er waarschijnlijk bij verzonnen toen hij de tekening thuis afmaakte, want Oostzaan is altijd een lintdorp geweest met een langgerekte vorm.
Uiteindelijk ging het om de nieuwe Grote Kerk. En die staat er nog steeds, maar de huizen en boerderijen eromheen zijn afgebroken of vervangen door nieuwbouw.
Alleen in de tekening van Hendrik de Winter blijven ze bestaan. Hij legde een beeld vast dat eeuwen later door ons nog bekeken wordt, als herinnering aan een dorp dat veranderde, maar nooit helemaal verdween.
Sonja Duba