De deuren van de werkplaats.
De deuren van de werkplaats. (Foto: Aangeleverd)

Het geheim van een vakman

Nieuws

OOSTZAAN - Vroeger moesten de huisschilders, net als de kunstschilders, zelf hun verf mengen om de goede kleur te krijgen. De een had meer gevoel voor kleur dan de ander en het vakmanschap zat niet alleen in het schilderen, maar ook in het herkennen en namaken van kleuren.

Piet was huisschilder in Oostzaan. Hij was een echte vakman. Die had je vroeger. Een rustige man, altijd met een kwast of een pot verf in zijn hand en een pet op zijn hoofd. Piet had niet alleen zijn ladder en kwasten, hij had ook, in de Kerkbuurt, een klein verfwinkeltje aan huis. Met zijn blikken verf, pigmenten en oliën kon hij zelf mengen en verkopen.

De klanten kwamen er graag, want bij Piet kreeg je een kleur die nergens anders bestond. En als je nog een aangebroken blik verf had staan van een eerdere klus, nam je die mee naar Piet en dan maakte hij, op het oog, dezelfde kleur opnieuw. Wel testte hij het altijd even uit op de binnenkant van de deuren van zijn werkplaats. Op die deuren had hij vele tinten staan die hij zelf had bedacht. Die vegen waren zijn geheugensteun. Zo kon hij zien welke mengsels hij had geprobeerd.

Hij streek er zijn kwast op af, wanneer hij een nieuwe kleur mengde. Een streep bruin, vlakken zwart en groen, een zweem beige met een lik blauw en hier en daar een fel stukje rood. Piet had geen kleurenkaart nodig. Zijn deuren waren de kleurenkaart. En als een klant vroeg: “Piet, kan je die kleur van mijn voordeur nog eens maken?” Dan liep hij naar zijn werkplaats, keek naar de kwaststrepen op de deur, wist precies welk blik hij moest pakken en mengde de verf met de juiste pigmenten tot de tint weer precies goed was. 

Soms zat hij er nèt naast. Dan stond er een mopperende klant op de stoep. “Zeg, Piet, het raamkozijn is nu wel erg groen geworden. Ik denk toch dat het een beetje ‘breuner’ moet zijn.”

Piet keek dan heel bedaard, wreef eens met zijn hand door zijn grijze haar en zei: “Kom, we lopen even naar de deuren.”

Dan wees hij op een streep waar een zweem rood door het groen liep. ”Zie je, daar zit de warmte in, die heb ik er te weinig bij gedaan.”

Hij pakte een potje pigment, roerde wat verf door elkaar, streek de kwast weer over de deur en knikte tevreden. “Zo, kijk, dat is ‘m. Breng het maar aan, dan zal je zien dat het prima past bij de rest.”

De klanten gingen altijd gerustgesteld naar huis en de deuren hadden er weer een nieuwe streep geschiedenis bij. Ze waren zijn archief, daar bewaarde hij zijn kleuren. En of het nu ging om een voordeur, een luik of een kozijn, dat al generaties dezelfde kleur droeg, niemand twijfelde eraan dat Piet de juiste tint zou maken.

Soms, als het licht op de deuren viel, leken de vegen en strepen haast op een schilderij. Alsof iemand daar een abstract kunstwerk had gemaakt. Maar voor Piet was het geen kunst, het was zijn vak. Hij haalde er zijn schouders over op. Voor hem waren het proefjes, geheugensteuntjes. Maar wie beter keek, zag dat hij ook een beetje kunstschilder was, zonder dat hij het zelf zo noemde. De deuren van zijn werkplaats waren zijn doek en zijn pigmenten zijn palet.

Iedereen in het dorp kende de oude deuren van Piet. Van een afstand leken ze rommelig, verweerd en vol vegen, maar als je dichterbij kwam, en je keek goed, dan kon je zien wat er achter zat. Het geheim van een vakman.

Siem Meijn en Sonja Duba