
“De Engelschen komen!”
Woensdag 16 Juli 1941
“Vanmiddag was ik bij een onzer buren aan het helpen. Het hooi kwam vandaag binnen, daarom wordt er getracteerd en omdat ik daar nogal veel keer kom, hadden ze me bij deze gelegenheid ook uitgenodigd.
Omstreeks vijf uur, ik stond boven in de volgeladen hooiberg, scheerde een vliegtuig laag over de boerderij. “n Mof,” zei één van de jongens terwijl hij een kriebelend hooisprietje uit z’n nek peuterde. Ik keek het toestel na en zag er nog een, ook al zo bar laag. Opeens, ik kon mijn ogen haast niet geloven, zag ik duidelijk het Engelsche herkenningsteken op de romp staan. “Het zijn Engelsche vliegtuigen en er komen er nog meer!” schreeuwde ik naar beneden. Vlug klom ik op de kap van de hooiberg en vandaar tot aan het puntje van de roede waarop de hooibergkap steunt. Toen zag ik een schouwspel wat ik nooit meer vergeet. Enige tientallen vliegtuigen kwamen ontzettend laag aanstormen recht op me af. Soms dacht ik dat er één me van mijn hoge zetel zou afvliegen maar telkens scheerden ze net over de boerderij heen. Met mijn benen en één hand hield ik me boven in de 15 meter hoge paal vast terwijl ik met m’n zakdoek zat te zwaaien.”
Vreugde
“Het was een geweldig geraas, links en rechts zag ik ze ook. De koeien holden met hun staart omhoog door het land, honden jankten en kleine kinderen begonnen te huilen. Ze vlogen in twee groepen maar hoeveel het er waren, weet ik niet hoewel het er wel minstens 50 waren. Doordat ze zo laag vlogen, had het luchtafweergeschut geen ruimte om te schieten. De schoorstenen van de tuinders in het Westland waren voor de Britten geen aanleiding om hoger te gaan vliegen, ze zwenkten er lustig tussen door alsof het een sportieve wedloop met hindernissen gold, het was geweldig. een Inwoner van ’t Woudt kwam zonder telefoon te zitten omdat één der vliegtuigen de draden kapot vloog. Op de weg, afijn overal, stonden de mensen te zwaaien met zakdoeken, kranten e.d. Op het land zwaaiden boeren met schoppen en rieken, de vreugde over dit koene vliegstaaltje was algemeen. De vliegtuigen waren 2-motorige lichte bommenwerpers van het type Bristol “Blenheim M.k. IV” met een bezetting van 840 pk. elk.”
Water
“Terwijl ik nog op mijn hoge ‘observatiepost’ zat, zag ik het in de verte erg roken ongeveer in de richting van de Lijmfabriek te Delft. Enige uren later toen ik thuis was, werd ik door een vriend opgebeld dat er een vliegtuig aan de Rotterdamsche weg was neergekomen. Een kwartier later was ik vlakbij de plek. Een honderdtal meters in het land lag het grotendeels uitgebrande wrak van een ‘Blenheim’, bewaakt door enige Duitschers. Ik ben toen maar naar daar vlakbij wonende kennissen gegaan om aan een ooggetuigenverhaal te komen. Ik kreeg daar het volgende te horen: Het toestel kwam laag aanvliegen en stond in brand. Plotseling raakte het de grond en sloeg met veel lawaai over de kop. Met nog enige anderen rende de ooggetuige naar het vliegtuig toe. Twee vliegers, waarvan één gedood was, lagen een tiental meters weggeslingerd. Een zeventienjarige jongen sprong zomaar in het brandende wrak en sleepte een bewusteloze vlieger naar buiten. Toen hij even later bijkwam vroeg hij tot verbazing der omstanders in zuiver Nederlandsch om water. Vier Britsche bommenwerpers cirkelden tijdens deze gebeurtenis nog even boven het wrak doch vertrokken toen ook. Spoedig was de Delftsche brandweer ter plaatse waarna geprobeerd werd het wrak te blussen maar niemand durfde het dicht te naderen omdat de benzinetanks ontploften.”
Dit zijn fragmenten uit ‘Mijn dagboek, oorlogskroniek van Kees Tetteroo’.
Het zou nog bijna vier lange jaren duren eer de bevrijding echt een feit was!