Lies Egas.
Lies Egas. (Foto: Aangeleverd)

Bij Ons in Amsterdam: Lies Egas

Amsterdam 750

Voor de laatste aflevering van de podcastserie ‘Bij Ons In Amsterdam’ zijn we dit keer op bezoek bij Maria Elisabeth Egas, of liever: Lies, geboren in 1931 en opgegroeid in de Apollobuurt, Amsterdam Zuid. “Mijn onderwijzer sprak mijn naam altijd uit als ‘Ekas’ met een zachte K.” 

Ooit was er een Amsterdam waarvan de ene kant van het Olympiaplein arm was, en de andere kant welgesteld. De grootouders van Lies schaatsten sierlijk rondjes op de vijver van het Vondelpark. “Dat was een prachtig gezicht”, herinnert ze zich. Wij reizen in de tijd terug samen met Lies, die ons vertelt dat zij als kind brood meenam naar school en daar uitdeelde aan de kinderen die geen brood hadden tussen de middag. 

Het Olympiaplein, tussen de Stadion- en Apollobuurt, werd sinds de bouw al gebruikt als sportveld. Het werd in 1926 aangelegd. Er was een achtlaans atletiekbaan waar fanatiek getraind werd voor de Olympische Spelen die in 1928 in Amsterdam zouden plaatsvinden. Een paar weken lang stond Amsterdam in het trotse teken van de Spelen. Dat jaar haalde Nederland maar liefst acht gouden medailles binnen en kwam daarmee op de achtste plaats van het medailleklassement. Voor het eerst in de geschiedenis werd er ook door de dames goud behaald, door Marie Braun. Terwijl Nederland zijn zegens binnen harkte, werd er een stuk verderop flink gebouwd aan nieuwe huizen van de architecten die waren aangesloten bij Plan Zuid. Lichte welgevormde panden verrezen er, van een bijzondere architectuur. 

‘Ik huilde tranen met tuiten toen zij ging trouwen’

Niet lang daarna kwam Lies Egas ter aarde, een eindje verderop in de Valeriusstraat. Lies was een nakomertje. “Ik was de jongste.” Haar oudste broer was al het huis uit, maar haar jongere broer woonde nog wel thuis. Mijn zus werd “Zus” genoemd, maar ze heette Dirkje. Dirkje moest altijd op Lies passen, want zaterdagavond gingen vader en moeder altijd naar de opera of het theater. Als kinderen sliepen Dirkje en Lies bij elkaar op de kamer. Lies was verknocht aan haar grote zus. “We waren zo hecht met elkaar dat we later altijd met elkaar op vakantie gingen, zowel ’s zomers als ’s winters. Kun je nagaan dat het een stevige band was. Ik huilde tranen met tuiten toen zij ging trouwen, ze was negen jaar ouder, maar ze trok zich van mijn tranen niet veel aan.” 

Lies was dus overgeleverd aan haar boeken en haar poppen. “We hadden in die tijd hele mooie poppen, vaak met porseleinen hoofden.” De sfeer in huis was rustig en gezellig. Egas was een sportieve familie, een echte schaatsfamilie. “Ik heb altijd gehockeyd in het Amsterdamse Bos. In het weekend waren de wedstrijden, we speelden natuurlijk in een elftal en ik denk dat dat wel goed is voor de mens.”

‘We speelden natuurlijk in een elftal en ik denk dat dat wel goed is voor de mens’  

De familie woonde in een mooi huis in de Valeriusstraat, maar om de hoek was het Olympiaplein en dat had een flinke aantrekkingskracht op vooral de moeder en de broer van Lies. Toen Lies een jaar of zes was had haar broer het voor elkaar gekregen dat de familie zo’n prachtig nieuw huis kon betrekken: Olympiaplein nr. 37, met twee verdiepingen en een grote tuin met bomen. 

In de huidige kamer van Lies hangt een foto van haar moeder in haar jonge jaren. Ze zit elegant schuin op een bankje. Ze draagt een mooie jurk die nauw om haar lichaam sluit. Ze heeft witte handschoentjes aan. Van onder een witte hoed met een enorme pluim erop, lacht ze naar de fotograaf. Er sprankelt iets in haar ogen en dat is niet toevallig. “Mijn vader heeft die foto genomen”, zegt Lies. Haar ouders waren gelukkig samen. Ze leerden elkaar kennen in de Schinkelbuurt nabij het Vondelpark, waar de familie van moeders kant een naaiatelier had opgezet. De jurk die ze op de foto draagt komt daar vandaan.

De grootvader van Lies is op jonge leeftijd overleden, verdronken toen hij overboord sloeg tijdens het vissen. Ze hadden acht kinderen in dat gezin, grootmoeder stond er toen alleen voor, maar haar ouders hebben haar financieel wat geholpen. De moeder van Lies hielp van tijd tot tijd in het naaiatelier. “Het was een familieatelier”, zegt Lies. “Het was chique kleding die met de hand genaaid werd en in de buurt verkocht. Met Pasen trok men dan de mooiste kleren aan. En als iemand dat dan niet deed, fluisterden de naaisters tegen elkaar: ‘Daar hebben wij zo voor zitten prikken, hebben ze het niet eens aan!’”

‘Ik had op school altijd de mooiste kleren aan. Dat het niet nieuw was, zag niemand’

De kleine Lies was gek op mooie kleren, dus het kwam haar heel goed uit dat haar moeder zo goed kon naaien. Ze verknipte de kleren van haar oom en maakte daar altijd iets nieuws van. “In de oorlog had ik een tweedelige jurk: een grijs plooienrokje en een rood bloesje. Dat was prachtig. De rok was van een broek van mijn broer, het bloesje van een oude jurk. Ik had op school altijd de mooiste kleren aan. Dat het niet nieuw was, zag niemand”. 

De familie Egas was een van de eerste bewoners van het Olympiaplein. “Wij woonden eerst in de Valeriusstraat, maar mijn moeder vond het zo’n donkere straat. Mijn oudste broer ging op zoek naar een lichter huis en vond dat op het Olympiaplein”. De familie verhuisde daarheen, naar de ‘gegoede kant’ wel te verstaan, want er was wel verschil. “Ik herinner me een meisje dat recht tegenover ons woonde aan de iets ‘mindere’ kant van het plein. Daar was het een stuk simpeler. Geen kunstwerken aan de muur, niets wat eruit sprong, alles maar heel gewoon. Maar het was wel een goed gezin. Ze moesten daar altijd hun eigen was doen. Dat vond ik vreemd, want bij ons kwam er eens per week iemand schoonmaken: Martha en die deed het ‘vuile’ werk.” Ook had de familie Egas een dienstmeisje, dat de boodschappen deed en het huis schoonmaakte. “Ze kookte ook, alleen braadde mijn moeder het vlees. We gingen ook vaak uit eten bij het Lido. Dát zit er nog steeds bij het Leidseplein. Dat was een redelijk luxe restaurant.”

‘Mijn jongste broer heeft nog in de kernploeg gezeten, wat waren we dáár trots op’

In de winters, die in die tijd veel strenger waren dan tegenwoordig, werd er geschaatst op de sloten, grachten en in de parken. Een van Lies’ vroegste herinneringen is die van haar grootvader, die rondjes schaatste met haar grootmoeder in het Vondelpark. “Dat konden ze samen geweldig mooi. Mijn grootmoeder met mooie laarsjes aan, een mof van bont en ook een hoedje van bont. Prachtig!” Maar het bleef niet bij gewoon schaatsen in het Vondelpark, het werd een echte familiesport. “Mijn jongste broer heeft nog in de kernploeg gezeten, wat waren we dáár trots op.” 

Die schaatsfamilie deed in de winter iets stiekems, wat wel meer families deden: ze schaatsten op het Olympiaplein. Aan de linkerkant was namelijk een grote sintelbaan voor sprinters. “Die baan werd in de winter onder water gezet”, zegt Lies, “zodat er geschaatst kon worden. Er waren lampen aan de kant en als die niet brandden dan klommen wij over het hek. Ik had nogal wat vriendjes en vriendinnetjes en zo schaatsten we in het donker over die sintelbaan. Er was niets spannender dan dat. Maar we zijn nooit betrapt.”

Het leven was plezierig. Elke avond werd de tafel voor de familie gedekt. Niet zomaar gedekt, nee, mooi gedekt met tafelzilver en er kwam altijd ook een mooi stuk vlees op tafel, iets dat lang niet iedereen zich kon permitteren. De achtjarige Lies was zich daar wel bewust van en ze deelde met enige regelmaat haar lunch op school met de kinderen van de andere kant van het plein. “Ik had ook meisjes op school die geen lunch konden meenemen, dan namen wij brood mee en dat lieten we hen opeten.” Op verjaardagen pakte de familie groots uit. “De hele familie kwam en dan zaten we met z’n allen in een kringetje te kletsen. Om twaalf uur werden de taarten aangesneden. Nou! Dat was feest, er werd behoorlijk gesnaaid.”

‘Om twaalf uur werden de taarten aangesneden. Nou! Dat was feest, er werd behoorlijk gesnaaid’ 

Maar toen brak de oorlog uit en in de Apollobuurt woonden heel veel joodse mensen. De familie Goudsmit bijvoorbeeld. “Anneke en Erik Goudsmid bijvoorbeeld, die later in de politiek terecht kwamen. Anneke was D66-er van het eerste uur.” Maar begin jaren veertig was Anneke het joods buurmeisje van Lies. Lies ging niet veel met haar om, maar ze zagen elkaar wel regelmatig. Lies’ boezemvriendin was Ellie Dapper.

“Mijn vader had een broer die bij de NSB was”. Lies’ stem daalt tot bijna fluisterhoogte, als ze zich dit herinnert. Dat was moeilijk met de joodse buren en die broer. “Mijn vader zei altijd tegen die broer dat hij maar niet moest komen, maar hij kwam natuurlijk toch. Gelukkig hebben de Goudsmids het allemaal overleefd, maar er was altijd spanning.” Lies zegt weinig van de oorlog te hebben meegekregen omdat ze zo jong was. Maar haar broer Wouter (17) heeft er wèl veel van gemerkt. Hij besloot te gaan helpen om de verzetskrant te gaan verspreiden. “Hij bracht het Parool rond.” Toen de Duitsers Nederland bezetten werd het hoofdkantoor van de Sicherheitsdienst en van de Gestapo neergezet in de Euterpestraat, tegenwoordig de Gerrit van der Veenstraat. Dat was vlak om de hoek van de familie Egas. De twee scholen in de straat werden gevorderd. “Nou… dat was behoorlijk pittig”, zegt Lies. Een van de gebouwen werd de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung genoemd, de plek van waaruit de Duitsers de joodse deportaties regelden en dat waren er ontzettend veel. De meisjes-HBS verderop werd het kantoor van de Sicherheitsdienst (SD). In de kelder werden verzetsstrijders opgesloten en gemarteld. 

‘Toen we eens een boek open sloegen, rolden er allemaal bonnen en belastende papieren uit’ 

Wouter ging echter nogal losjes om met het verzet, volgens Lies. Zo vroeg hij eens aan een Duitser, terwijl hij hem het Parool in de hand drukte ‘Kun je dit even daar in de bus gooien?’ Die Duitser deed dat gewoon. De moeder van Wouter en Lies heeft best wel in de penarie gezeten om de onverschrokkenheid van haar zoon. In het huis op nummer 37 werden de kranten verstopt in de kruipruimtes. Vijftig jaar later werden er nog kranten ontdekt, die daar toentertijd verstopt waren. Dat hoorde het podcastteam van ‘Bij ons in Amsterdam’ van de huidige bewoners, toen ze een kijkje ging nemen op locatie. Maar op de bovenverdieping had Wouter nog veel meer verstopt, vertelt Lies: “Daar lagen allemaal boeken en toen we eens een boek open sloegen, rolden er allemaal bonnen en belastende papieren uit.” Wouter was niet heel zorgvuldig. 

Natuurlijk was er ook veel angst. De jongens waren als de dood dat ze opgepakt zouden worden. Als de broer van Lies hoorde dat er ergens een razzia werd gehouden, verschool hij zich. Hij had een paar verstopplekken. Eentje was een ruimte boven de voordeur. De ouders van Lies hadden daar een matrasje neergelegd en een schuilplekje van gemaakt. Van buitenaf kon je dat niet zien. Wilde je je daarin verstoppen dan had je echt wel hulp nodig om erin te kunnen klimmen. Soms verstopte Wouter zich ergens anders. Dan klom hij in een boom in de tuin. “Daar zat hij ’s avonds, onzichtbaar in die boom. Heel slim vonden wij dat, maar vooral dapper dat hij dat durfde!”

‘Op een gegeven moment werd er een datum genoemd waarop alle joodse mensen zich op het sportveld moesten verzamelen’ 

Het Olympiaplein werd eerder gebruikt door Amsterdammers om te sporten, maar tijdens de oorlog dreven de Duitsers er grote groepen joodse mensen bijeen, om afgevoerd te worden. “Op een gegeven moment werd er een datum genoemd waarop alle joodse mensen zich op het sportveld moesten verzamelen.” Lies heeft dat vanuit haar ouderlijk huis zien gebeuren. “Wij stonden te kijken of er bekenden bij waren…”, zegt ze duidelijk aangedaan bij de herinnering. Waar het ’s winters zo mooi schaatsen was, stonden nu zoveel mensen te wachten op hun noodlot. De familie had veel joodse buren en Lies keek regelmatig of haar joodse vriendinnetje, Anneke Goudsmid, tussen al die mensen stond. “Maar dat konden we niet ontdekken, het waren teveel mensen.”

Lies was thuis toen op 26 november 1944 door de Britten een bombardement werd uitgevoerd op het hoofdkwartier van de Gestapo en de Sicherheitsdienst in de Euterpenstraat. “Dat was een hoop herrie! Het was doodeng. Het was zo dichtbij. Gelukkig was de hele familie bij elkaar en dat gaf enige troost en steun.” De vader van Lies was aannemer en die kon bekijken waar de familie het best kon gaan zitten: dat was tegen de muur die volgens vader het stevigste was. Daar tegen die muur gedrukt, zag Lies voor het eerst bommen vallen. Ze had altijd het idee dat bommen ronde dingen zouden zijn, maar nu zag ze dat ze de vorm van een sigaar hadden. Een kennis van hen ging de volgende dag op zoek naar hout voor de kachel bij het gebombardeerde pand. Maar dat mocht natuurlijk niet en hij heeft daarvoor de kogel gekregen. “Vreselijk. Maar er werd eigenlijk niet zoveel over gepraat bij ons thuis.” 

In het verzorgingstehuis waar Lies nu haar dagen slijt hangen foto’s van haar kinderen en kleinkinderen. Er is een goed gevulde boekenkast. Ze is een echte lezer, net als haar dochter. Ze lezen dezelfde boeken. Lies is dol op haar dochter. Ze is tevreden en blij met het huis waar ze nu woont: “Ze hebben vaak verrassingen en er is altijd wel iets lekkers te eten.” Ze zegt nog altijd te genieten van haar dagelijkse glaasje rode wijn, maar dan nu zonder alcohol. Ter afsluiting grapt ze dat ze altijd de jongste was, maar nu is ze een van de oudsten. Nu komt men aan haar vragen: ‘Hoe was het toen?’ “Dat vind ik wel apart, hoor.”

De aflevering van Lies, waarin ze haar verhaal zelf vertelt, verschijnt op 27 oktober (de 750ste verjaardag van Amsterdam) in de podcast ‘Bij Ons in Amsterdam’ en is te beluisteren op alle bekende podcastplatforms (Spotify, Apple Podcasts, Podimo) of via https://podcasters.spotify.com/pod/show/bijonsinamsterdam

Barbara van Wijk