Afbeelding
(Foto: Marco Meeuwisse)

Zeven Rietwoelmuizen en één Rietzanger

“Zitten jullie klaar?” Mijn vader staat rechts van me klaar om met zijn hooivork de laatste schoof riet op te steken. Ik kijk mijn broer aan en we kijken op naar paps en knikken samen “Ja”. Rinus steekt in de schoof en tilt hem snel 20 centimeter op. Vier kinderhanden grijpen alles wat los en vast zit.

Even later tellen we de buit. 7 !! Ze gaan allemaal in een grote sigarenkist. De Vijf Gezusters is afgeladen met riet. Als het allemaal met lijnen is geborgd zegt Rinus dat we aan boord moeten; “Kom we gaan naar jullie moeder.”

We rennen we de loopplank op. “Leggen jullie hem in het gangboord?” De Samofa wordt gestart en de dieselrook legt een verkeerde mistlaag over Botshol.

Nadat mijn broer op de voorplecht de meertros heeft binnen gehaald vertrekken we, via Kockengen, richting de Zilk. Het riet is bestemd voor de bescherming van de bollenvelden in de winter rondom Voorhout en Sassenheim. Morgen gaat hij het afleveren. We schrijven 1970, de tijd dat het meeste nog per schip werd vervoerd.

Terwijl mijn eerste Rietzanger die ik mij kan herinneren, boven in een wuivende rietpluim ons zingend uitgeleide doet, varen we de najaarszon in, op naar de Hoek van Spengen. De schuit is afgeladen. Het riet is tot ver boven de scheepsluiken opgestapeld. De stuurhut is zelfs afgebroken om er nog overheen te kunnen kijken. De stuurpen is met een borgpin een meter omhoog gezet. Rinus staat op de achterkajuit en tuurt over het water. De jarenlange ervaring heeft hem geleerd zo hoog te laden dat het geheel nog maar net onder de bruggen door kan.

Langzaam varend wordt met de bovenzijde van de lading zelfs de onderkant van enkele bruggen schoongeveegd. Bij bochten en bruggen moet ik voorop de plecht staan om voor gevaar of hoogtes te waarschuwen.

Eenmaal thuis aangekomen, springen we van boord en vliegen rechtstreeks de huiskamer in. Sigarenkistje in de hand. “Hé jongens, zijn jullie er al?” zegt mijn moeder, en nog onwetend. We hebben geen tijd voor antwoord. Wel tijd voor een vraag. “Waar is Wicky?” “Binnen” zegt mams. Haar “Hoezo?” missen we. In koor roepen we “Wicky, Wicky Wicky, kijk eens…” en openen de kist. De 7 muizen vliegen de kamer door, de kat schiet de gordijnen in en mijn moeder schreeuwt het uit.

Als mijn vader 10 minuten later binnenkomt krijgt hij, ondanks dat hij de vermoorde onschuld speelt, op zijn lazer. Wij liggen al voor straf, gniffelend, boven op bed. “Topdag hé broer?”