Geert van Diepen.
Geert van Diepen. (Foto: archief Rodi Media)

Vuur

‘We zijn bevrijd!’ riep een van de Pancrasssers enthousiast aan de kant van de weg. Ik ken hem wel. Naast hem stond zijn vrouw, ze glimlachte. ‘Ja, heerlijk,’ riep ik vanaf mijn fiets. 5 mei 2026. Volkomen onverwachts waren mijn lief en ik die middag op de Bovenweg met onze vouwfietsjes midden in een optocht beland: die van het lopend overbrengen van het bevrijdingsvuur van Wageningen naar Oudkarspel. Had ik over gelezen in de krant, maar niet hoe dat vuur vervoerd wordt. In de bocht naar de Twuyerweg stond de stoet even stil. Voor ons stond een rij fietsers, twee aan twee, elk met een groen hesje aan en daar voor, een rij legervoertuigen, waaronder een Amerikaanse jeep en een oude groene ambulance met een schelle sirene. In de open vrachtwagen aan de kop van de stoet blies een orkest gezellige deuntjes met in het kielzog een groep jonge lopers in korte broek. Droeg een van hen het bevrijdingsvuur? Maar hoe dan? Nergens zag ik iets dat op een fakkel leek? Wel roodwitblauwe vlaggen, bijna huis aan huis, aan weerskanten van de smalle Bovenweg. En rondom in de tuinen frisgroen gebladerte, bloeiende seringen en meidoorns. Even later gilde de ambulance sirene, de stoet zette zich weer in beweging en wij ook. Groepjes mensen keken toe, sommigen applaudisseerden, iedereen keek vrolijk. De mei zon scheen en meerijdend in de stoet werd ik bevangen door een feestelijk gevoel. Zou 81 jaar geleden de bevrijding er zó hebben uitgezien?

‘Moet je kijken,’ zei mijn lief ineens halverwege de Twuyverweg. Ze wees naar een olielamp. Met daarboven een rond metalen dakje. Het zilver glimmende ding stond stevig op een plank op de bagagedrager van de fietser met het groene hesje voor mij. Binnenin brandde licht, een oranje vlammetje. Veilig achter helder glas tegen harde wind, slagregens en onheil. Ja, het bevrijdingsvuur.