Arie Schuitemaker, hoef- en kachelsmid.
Arie Schuitemaker, hoef- en kachelsmid. (Foto: Jan Lust)

De smederij, een stukje geschiedenis van het Zuideinde

Nieuws

OOSTZAAN - Het zachte geruis van een oud cassettebandje vult de kamer. Uit de luidspreker klinkt de stem van Grietje, de dochter van Arie Schuitemaker, die ons meeneemt naar de tijd dat haar vader als jonge man werd opgeroepen voor de mobilisatie. Geen soldaat met een geweer, maar een man die zijn roeping vond tussen de paarden en het gloeiende vuur. Via haar herinneringen stappen we de smederij op het Zuideinde weer binnen, waar je de geur van verbrand hoorn rook en het ijzer hoorde sissen in het water.

 “Als Grietje Schuitemaker ben ik hier geboren, op dit stukje grond op het Zuideinde, in het oude huis. Het was een groot huis. Heel vroeger was het een café, maar daar weet ik niks van. Het huis is gesloopt en samen met mijn vader hebben wij er in 1971 ieder een huis neergezet. Mijn hele leven woon ik hier. Eerst in het oude huis, waar ik geboren ben, en nou ben ik 81 en woon ik hier nog.”

“Mijn vader is onder dienst geweest in de Eerste Wereldoorlog en toen heeft hij het hoefbeslag geleerd en zijn getuigschrift voor hoefsmid gehaald. Alles deden ze toen met paarden. Na vier jaar is hij teruggekomen en is hij gaan werken bij smederij Buishand op het Noordeinde. In 1930 heeft hij hier op het Zuideinde een werkplaats laten bouwen en is hij voor zichzelf begonnen.”

“Tot 1964, toen kwam er bericht dat hij weg moest, want er kwam een straat, nu de Dahliasingel. Daar was een hoop voor nodig, dus dat werd praten en praten, want er lag nog land achter. Dat was ook van mijn vader en eerst van mijn grootvader. Mijn vader wilde wel, maar hij moest hetzelfde spul terugkrijgen, en dat is gebeurd. Na weer praten kwam er een overeenkomst. In 1964/65 is er achter ons een nieuw gebouw neergezet, waar de werkplaats in kwam. Mijn moeder heeft het niet meer meegemaakt. Ze wist er wel van, maar was al overleden toen het besloten werd.”

“Mijn vader heeft veel paarden beslagen. In de Tweede Wereldoorlog liep ook iedereen met een paard. Er zijn wel eens tijden geweest dat er vijf paarden aan het hek stonden. Ook moesten er ijzeren banden om de wielen van wagens gelegd worden. Dat was een ‘dievenwerk’, want dat moest heet gestookt worden en dan om die wielen heen en dan gauw de weg uit en in de sloot om te blussen, want dan schieten ze natuurlijk vast. Het was een paard- en wagenbedrijf en dat was toen een normaal straatbeeld.”

“Het gebeurde ook dat hij, in de winterdag ‘s-morgensvroeg naar de mensen toe moest, want de paarden moesten lopen. Dan kwam hij ‘s-avonds laat pas weer thuis.”

“Hij heeft hard gewerkt. Toen kreeg mijn vader een knecht, Jan Rep. Die was meer voor het ijzer, hekken maken en ijzeren roeidollen voor de jollen, waar de riemen doorheen gingen. Mijn vader heeft hard gewerkt, tot hij tweeënzeventig was, toen heeft hij het overgedaan aan de knecht, die jaren met hem had samengewerkt. Ze hebben ook goed verdiend, maar mijn vader was zo; als het iemand was die niet zoveel had en hij moest een kachel schoonmaken, ging het voor een beetje minder. Vrije tijd had mijn vader niet. Zondags werden de rekeningen klaargemaakt en uit de boeken in het grote boek geschreven. Dat deed hij allemaal zelf.”

“Mijn vader kon goed met de paarden opschieten. Hij was een flinke man en hij was erg rustig. Maar er waren er bij, nou, die beten hem weleens in zijn gat! Hij besloeg ze op de hand. Als ik koffie moest brengen, dan dorst ik nooit achter die paarden om. Het was een mooi vak en ze kwamen van Landsmeer, Den Ilp en de Wormer naar hem toe. Naar de Wormer ging hij om de zoveel tijd heen, maar dan werd er koud aangeslagen en thuis werd er warm aangeslagen en dat rook zo lekker.”

“De paarden verdwenen, er kwamen autootjes, de mensen gingen te werk in Amsterdam en ze moesten er vlug komen. Er zijn nog wel paarden voor het plezier en die krijgen de ijzers koud.”

“Vroeger rook je de aparte lucht die van de paardenhoeven afkwam als het hoorn eraf gebrand werd. En vroeger werden de hoeven nog extra zwart gelakt met verlopen olie en dan gingen de paarden ‘pronkend’ de werkplaats uit. Mijn vader deed zijn werk netjes.”

Grietje Schuitemaker (opname van Radio 9 Oostzaan; 5-10-2007)

Een man met een verhaal

Op het Zuideinde 29 in Oostzaan, ergens in de eerste helft van de vorige eeuw, klonk er een ritmisch geluid door de straat: ‘ting…. tang….. ting…. tang’. Het was het geluid van Arie Schuitemaker, de smid, die met krachtige slagen gloeiend ijzer op zijn aambeeld bewerkte. Arie was een man met een verhaal.

Toen in 1914 de eerste wereldoorlog uitbrak en de mobilisatie begon, werd Arie opgeroepen om zijn dienstplicht te vervullen. Hij werd ingezet om de paarden te verzorgen en leerde in die oorlogsjaren het vak van hoefsmid.

Na de oorlog keerde Arie terug naar Oostzaan en na jaren nog ervaring bij een andere smederij te hebben opgedaan, begon hij zijn eigen smederij aan het Zuideinde. Boerderijen in de omtrek vertrouwden hun paarden aan hem toe voor nieuwe hoefijzers en in de koude wintermaanden stond Arie bekend om het repareren van de kachels, zodat de huizen in Oostzaan warm bleven. Arie werkte met passie. Hij kende iedereen en iedereen kende hem.

Het smidsvuur van Arie Schuitemaker is inmiddels gedoofd, maar het beeld van de gedreven hoef- en kachelsmid uit Oostzaan, die het vak leerde in de mobilisatietijd en terugkwam om zijn dorp te dienen, blijft een mooi stukje geschiedenis van het Zuideinde.

 

Sonja Duba