Vier

Het telwoord vier heeft dezelfde uitspraak in het Nederlands als het West-Fries. Een aardige uitdrukking is: op vier en acht staan of op vierewacht staan. Het heeft vier betekenissen.

Ten eerste wijdbeens staan, eigenlijk net zoals de wijzers van de klok de respectievelijk op de vier en de acht staan.

Ten tweede rustig en voor iedereen te zien ergens staan.

Als derde betekenis is ergens staan waar men in de gaten loopt. ‘We stane hier zo erg op vier en acht, leite we maar effies deurlope’.

Ten vierde houdt deze zegswijze in: scherp staan opletten.

Vierduit is een oude munt ter waarde van vier duiten of 2½ cent. Een vierduisdoôsie is een doosje waarin men vierduiten bewaarde. De uitdrukking ‘hai kon wel in een vierduisdoôsie’ betekent: hij was doodsbang.

Het telwoord vierenveertig zit in het gezegde ‘op vierenveertig legge’. Dat houdt in dat je zodanig met je partner in bed ligt dat de lichamen met opgetrokken knieën ineenvoegen, dus als het ware de vorm van twee vieren (44) hebben. ‘As ’t koud is, doene we lekker vierenveertige!’

Het vierkánt is vierkante, zware houten geraamte midden in een stolpboerderij waarin het hooi wordt bewaard. De vierkántsbalke zijn de vier dikke, rechtopstaande balken die het eigenlijke vierkant vormen. De ladder die tot in de nok van het vierkánt reikt noemt men de vierkántsladder. Met deze ladder kon men altijd op het hooi komen.

’t Vierkant

Mooi in de middend stane ze, vier pale, ieder an een kant verbonden deur een dikke balk, zo geve ze mekaar een hand.

Deer boven rust ‘r rieten dak, deer onder skuile mens en beist ’t gereedskap en vezelf ’t hooi, zo heb ’t heêl wat eêuwe weest.

Opheden vind je in een stolp, gien vee of hooibaal meer, maar altoid zien je ’t vierkant’ vier pale: groôt en sweer.

Al kraakt of steunt de boereplaas, bai harde sturm of donderslag, zai stane deer tot steun en stut, as stoere wachters nacht en dag.

Dat koik met eerbied nei ’t vierkant, zo onverwoestbaar sterk en trouw, en dank de mense van weleer voor hullies werk an dut gebouw.

©Ina Broekhuizen-Slot

Bron: Westfries Woordenboek, Jan Pannekeet