
Winterse ontmoeting bij de Hanepadsluis
NieuwsOOSTZAAN - Tussen de polder Oostzaan en Het IJ werd in 1713 op de vroegere Noorder IJ en Zeedijk, nu de Zuiddijk, de Hanepadsluis gebouwd. Het was een zeesluis, want toen de Afsluitdijk er nog niet was, stond de Voorzaan via het IJ en de Zuiderzee in open verbinding met de zee. En zo was het mogelijk om getijdenverschillen tussen zee en binnenwater op te vangen. Na de veranderingen rond de inpoldering van Het IJ en de aanleg van het Noordzeekanaal (eind 19e eeuw) is de functie veranderd.
De Hanepadsluis was belangrijk voor de handel en het was er vroeger een drukte van belang met kleine schepen die er geschut werden. Aan weerszijden van de sluisdeuren kan het waterpeil door schuiven gelijk worden gemaakt. Daarna draait de sluiswachter aan de ‘Kaapstander’. Het wiel zet de sluisdeuren in beweging en piepend en krakend gaan ze open.
Voor het doorlaten van schepen werd vroeger ‘sluisgeld’ geheven. Daarvoor liet de sluiswachter een oude klomp aan een hengel naar beneden zakken. Met de betaling werd wel eens een loopje genomen. Dan vond de sluiswachter een knoop of een aardappel in de klomp en dat was wel een erg armetierige verdienste voor zijn zware werk.
Als het vroor, hakten de schippers het ijs weg met bijlen en ander gereedschap om de weg vrij te maken voor de boten. Maar bij extreme vorst werd het het ijs bij de Hanepadsluis met rust gelaten. Dan lag de scheepvaart stil en veranderde het landschap in een sprookjesachtig decor…
Het is een stille wintermiddag. De lucht boven de Voorzaan is bleekgrijs en het water ligt stil onder een laag ijs. Bij de Hanepadsluis hangt een dunne mist en er ligt sneeuw op zijn houten deuren, die zacht kraken in de vrieskoude lucht.
Langs de Zuiddijk loopt een oudere man, zijn ogen gericht op de eeuwenoude stenen van de sluis. Vlakbij houdt hij stil. Twee jongens wagen zich voorzichtig op hun schaatsen naar het midden van de vaart, terwijl de man op de kant toekijkt. “Weten jullie dat dit sluisje er al sinds 1713 staat?”, zegt hij. Zijn stem klinkt zacht over het ijs. “Hij is gebouwd als zeesluis, want toen was er nog een open verbinding met de Zuiderzee.”
De jongens luisteren maar half. Ze zijn veel te druk met hun eerste glijpogingen en al snel klinkt het gekras van hun houten doorlopers over het bevroren water. De man wijst met zijn stok naar de zware stenen. “Zie je die stenen muren?”, gaat de man verder, meer pratend tegen zichzelf dan tegen de jeugd. “En die trapsgewijze opbouw tegen de dijk. Daaraan kun je zien dat het een oude zeesluis is. Echt vakwerk, gebouwd voor kleinere schepen die vroeger vanuit de polder naar de Voorzaan voeren. Nu kan er alleen nog pleziervaart door, er past geen mast meer onder die vaste brug.”
Af en toe stoppen de jongens om even uit te blazen. Ze kijken naar de dikke, houten sluisdeuren. De man glimlacht even en trekt zijn jas dichter om zich heen. “Die zijn vaak vernieuwd”, gaat hij verder. “In 1852, in 1936 en weer in 1948. Altijd was er wel een Banne of een gemeente die er geld voor vrij maakte. Gelukkig maar, anders was dit stukje geschiedenis verdwenen. Vroeger gingen de mannen uit Oostzaan met hun boten door deze sluis. Ze voeren naar Het IJ en verder de Zuiderzee op. Naar Uitdam en Durgerdam. Daar haalden ze ‘nest’, ondermaatse vis. Oostzaners, met hun vele eendenhouderijen, konden wel wat gebruiken. De boten stonken een uur in de wind. Maar het was goed voer voor de eenden. Zonder die ‘nest’ hadden we nooit zoveel eenden kunnen houden in Oostzaan. Zo vormde de handel in ‘nest’ een schakel tussen de vissersdorpen aan de voormalige Zuiderzee en het boerenleven in Oostzaan.” Eén van de jongens trekt een vies gezicht, bij de gedachte aan die stinkende boten.
De man gaat verder. “Elke keer als ik hier sta, hoor ik in gedachten het gekraak van de sluisdeuren, het geroep van mannen en het klotsen van de boten. Het was soms zwaar werk, zeker in de winter, als er ijs lag. En dan was er Klaas, die eigenwijs in de winter nog door de sluis wilde. Het water was al half dichtgevroren. Hij dacht: dat hak ik wel even open. Maar toen sloeg de vorst harder toe dan hij kon hakken. Daar zat hij, vast in het ijs. Zijn boot kon geen kant meer op. Uiteindelijk hebben de mannen van de dijk hem er uit moeten trekken. Klaas kwam druipend thuis, zonder vis, maar met een verhaal waar het dorp nog weken om gelachen heeft.”
De jongens lachen mee, bij de gedachten aan die vastgevroren visser. Hun stemmen galmen vrolijk over de dijk, terwijl ze zich verder op het ijs wagen. Hun gezichten rood van de inspanning en hun mutsen tot over hun oren getrokken tegen de kou. Je hoort het schurende geluid van glijdende schaatsen. Boven hun hoofden krast een kraai en hij strijkt neer op het hek van de sluis. De oude man glimlacht. Hij steekt zijn hand op, bij wijze van groet, en vervolgt zijn weg langs de met sneeuw bedekte Zuiddijk. Het geknars van zijn klompen verdwijnt in de verte.
Sonja Duba