
Het rauwe verleden van Oostzaan
NieuwsOOSTZAAN - Oostzaners zijn in de zeventiende eeuw belangrijke walvisvaarders geweest. De mannen waren geen gewone zeelui, maar avontuurlijke gelukzoekers. Dat moest ook wel, want de reis naar de ijszeeën was een helletocht van weken. Ze voeren naar een wereld waar de zon in de zomer niet onderging, maar waar het gevaar overal loerde en tussen de ijsschotsen door, zochten ze naar de machtige Groenlandse walvis.
Vanaf de vroegere Oostzaner Overtoom, daar waar je op het Zuideinde de dijk opgaat, voeren de schepen in het vroege voorjaar uit, om op tijd te zijn voor het openbreken van het ijs in de poolgebieden. Het schip was volgepropt met lege vaten en de uitrusting voor de jacht. Er ging proviand voor maanden mee, wat bestond uit grauwe erwten en gort, vaten met gezouten vlees en vis, scheepsbeschuit en scheepsbier, wat veiliger was om te drinken dan stilstaand water.
Bevriezingsdood
De mannen vertrokken in hun dikke wintergoed en hielden de baaien onderkleding maandenlang aan het lijf, met slechts één extra stel voor als het ijskoude zeewater hen tot op het bot zou natmaken. In het poolgebied betekende natte kleding namelijk een bevriezingsdood.
Op hun hoofd hadden ze een wollen klapmuts, waarvan de brede flap in de nek hen beschermde tegen de ijzige poolwind. Aan hun voeten droegen ze zware klompen, waar ze speciaal gesmede ijsspijkers onder sloegen om houvast te houden op het ijs. In de kist van de zeeman gingen ook een paar reserve klompen mee, dikke wollen kniekousen en stro of hooi voor in de klompen tegen de vrieskou.
Over de Zuiderzee
De tocht ging eerst over de Zuiderzee om vervolgens de open en onvoorspelbare Noordzee op te gaan. Met een stevig zeilschip, dat speciaal was aangepast om door het drijfijs te navigeren, ging de koers noordwaarts, langs de kust van Noorwegen. Naarmate de reis vorderde werd het kouder, de dagen langer en de zee wilder. Voor de bemanning uit Oostzaan was de overgang van de beschutte polder naar de metershoge golven van de oceaan een brute kennismaking met de kracht van de natuur. De angst voor ijsbergen of een plotselinge storm was constant aanwezig.
Op het moment dat de eerste ijsschotsen in zicht kwamen en de witbesneeuwde toppen van Spitsbergen aan de horizon verschenen, begon de echte strijd. Daar in de verte en langs de rand van het pakijs, lagen de walvissen. De zee was er stil en verraderlijk. De mist sloot zich plotseling om de schepen en het water was zo ijzig dat een man die overboord sloeg, nauwelijks nog een minuut had.
Kleine, houten sloepen
Zodra een walvis werd gespot, lieten de mannen kleine, houten sloepen in het water zakken. Terwijl een deel van de bemanning roeide, stond de harpoenier voorin om het dier te raken. Eén zwaai van de staart kon de sloep in één keer verbrijzelen. Een getroffen walvis trok boot en bemanning soms kilometers mee, tot hij uitgeput was en met lansen werd afgemaakt.
Na de vangst begon het zware, bloedige en glibberige werk. De walvissen werden ter plekke, aan de zijde van het schip, van hun spek en baleinen ontdaan. Grote lappen spek, rood van het bloed, werden aan boord gehesen. Het spek werd in brokken opgeslagen in houten vaten en nu volgde de lange weg terug naar de vertrouwde stank van de Oostzaanse kokerijen…
De vertrouwde kerktoren
Weken later, in de late herfst, verscheen de vertrouwde kerktoren van Oostzaan aan de horizon. De mannen waren veilig en de vaten waren vol. Het nieuws van het naderende schip ging als een lopend vuurtje door het dorp en vrouwen in hun beste jakken en kinderen op klompen renden naar de Overtoom. De geur die uit het schip opsteeg was na de lange reis onbeschrijfelijk. Een mengeling van zout water, rottend vet en maandenlang ongewassen zeelieden. Zodra ze met hun volgeladen schip, vanuit de Noorderlijke wateren, bij de Oostzaner Overtoom aanlegden en de walvisvangsten overhevelden naar de kokerijen, kon het werk aan de wal beginnen.
Voor de sjouwers begon de zwaarste klus. De vaten met rauw spek moesten direct uit het ruim getakeld worden en in de traankokerijen werd het walvisspek gekookt, dag en nacht. Het vuur brandde onafgebroken en kokers met enorme pollepels schepten in grote ketels door het borrelende, smeltende vet. Met lange haken visten ze de gloeiend hete ‘kaantjes’ uit de vloeistof, knapperige resten, die weer gebruikt werden als brandstof voor het vuur. De dampen die uit de ketels stegen, prikten in hun ogen en sloegen op hun longen. Ze veegden het zweet van hun hoofd en de stank was niet te harden.
Geknetter en gesis
n de verte luidden de klokken van de Grote Kerk, maar over de dijk hoorde je alleen het geknetter van het vuur en het gesis van het vet. Goudgele, vloeibare traan liep uit de ketels rechtstreeks de koelbakken in en werd gezuiverd, voordat het in schone vaten werd gegoten voor transport.
Een dikke, vette walm hing steevast boven de rietlanden langs de oevers van de rivier de Twiske, de aan-en afvoerroute voor de traankokerijen. In de herberg en tapperijen van Oostzaan werd er flink getapt, terwijl harpoeniers, onder het genot van een pul bier, sterke verhalen vertelden over ijsberen, woeste stormen en over walvissen die zich losrukten en verdwenen onder het ijs. Mannen wiens gezicht getekend was door de zoute wind en de littekens van bevriezing.
De constante dreiging van dood door verdrinking of de gevreesde scheurbuik, was in hun ogen te lezen, net als het gemis van hun kameraden die ze in het noorden hadden achterlaten.
Ondertussen rolden de vaten met gezuiverde traan de pakhuizen in om verkocht te worden in de grote steden. Het diende als brandstof voor de straatverlichting en als grondstof voor de productie van zachte zeep en smeermiddelen. De traan uit Oostzaan ging naar de lantaarnopstekers in Amsterdam en de olie liet de raderen van de Zaanse molens draaien.
Tussen de vaten lagen de grillige walvisbaarden van de walvis opgestapeld. Die kostbare baleinen vonden hun weg naar de mode en werden later in de stad verwerkt als versteviging in de korsetten van chique dames.
Het centrum van een wereldse industrie
Oostzaan was in die tijd het centrum van een wereldse industrie. Alles begon hier, in de zompige polder. De mannen die vertrokken naar de ijzige leegte van Spitsbergen en na maanden weer terug keerden met het ‘spek’. Het was een wereld van geld, moed en dierenleed.
Hier op de grens van het dorp in de Zuid, stonden de traankokerijen aan het open water, ver weg van de dorpskern, om het brandgevaar en de ergste stank te vermijden.
Het was een wereld van vuur, vet en keihard werken.
Sonja Duba