
De ‘Grote Neuswijzer’
NieuwsOOSTZAAN - In maart is het strand nog van de honden. Geen badgasten, geen windschermen, alleen drie blije viervoeters, die vinden dat het hele kustgebied van hun is.
Voorop loopt Bram, een zachte, goudkleurige lobbes. Achter hem dribbelt een klein, roodbruin teckeltje. Dat is Pablo en helemaal achteraan scharrelt Vlekkie, een zwart met bruin gevlekt kereltje.
Waar gaan ze heen? Dat weten ze nog niet. Honden hebben daar geen plannen voor, ze hebben alleen zand, zee en vrijheid.
Maar toch lopen ze niet zomaar, want honden worden geleid door een onzichtbaar kompas, de ‘Grote Neuswijzer’ die ze vertelt welke kant de meest interessante geuren verborgen houdt.
Bram heeft iets geroken. Hij versnelt, de staart hoog en schiet vooruit. Pablo probeert hem bij te benen. Zijn korte pootjes trippelen haastig over het natte zand. Vlekkie zigzagt als een kleine zandschuiver om hen heen, alsof hij het hele strand wil bewaken.
Ze lopen richting het stille gedeelte, waar de duinen dichterbij komen. Ineens stopt Bram en kijkt achterom naar zijn vriendjes. Er ligt iets verstopt tussen twee aangespoelde planken. Pablo gaat erop af en snuffelt voorzichtig. Maar als hij merkt dat het gewoon een oude, half verzande tennisbal is, springt hij er bovenop.
De bal ontsnapt tussen zijn pootjes door, waarna Vlekkie hem te pakken krijgt. Tussen die twee begint een potje trekken en duwen. De bal rolt de zee in. Bram, die van een afstandje had staan kijken, duikt hem met één sprong na in een ondiepe, koude golf. Triomfantelijk staat hij, met bal, schuddend en spattend op het strand. Het spel is uit.
Ze gaan weer verder. Bram voorop, alsof hij de strandwacht is. Pablo volgt hem dapper en Vlekkie sprint achter een meeuw aan. Ze hebben het hele strand voor zichzelf.
Terwijl ze zo rondbanjeren over dat enorme speelterrein, moesten ze eens weten wie er meer dan honderd jaar geleden rondliep, of beter gezegd, rondtrok. Want in een ver verleden, toen er nog vissershuisjes langs de kust stonden en het dorp leefde van de zee, liep hier Borre, een flinke trekhond, met de kop van een Sint-Bernard en het koppige karakter van een echte strandhond. Elke dag, weer of geen weer, trok hij het houten karretje van zijn baas. Voor een paard had de visventer geen geld, dus deed Borre het zware werk.
Iedere ochtend, nog voordat de zon boven de duinen opkwam, stond Borre al in het tuig. Hij kende de weg naar het strand, naar de plek waar de vissers hun boten binnen haalden. Zijn baas laadde de manden met verse vis, die net uit de branding was gehaald, in de kar. Hij gaf een tik op de rand en Borre trok, door het mulle zand en door de duinen, langs smalle straatjes met scheve huisjes op weg naar de markt. Soms stopten ze bij de herberg, waar zijn baas altijd naar binnen gluurde of hij misschien een klant kon strikken.
Onderweg ging er ook wel ergens een deur open en werd er geroepen: “Heb je schol?”
Borre bleef dan vanzelf staan. De baas lachte, met zijn brede, tandarme glimlach, want de hond wist precies wie een goeie klant was. Het waren zware jaren, die tijd van eenvoud en armoe, maar zo ging het toen, de hond werkte en de baas verkocht.
Voor Bram, Pablo en Vlekkie is het ‘vrijheid en blijheid’ op die ochtend in maart. De zee is kalm en ze spelen en hollen over het natte zand. Ze hebben geen benul van trekken, sjouwen en werken voor een baas. Een ‘hondenbaan’, daar hebben ze nog nooit van gehoord. Ze zijn gewoon ‘hond’ en als vrienden gaan ze verder en verder, totdat hun neuzen opnieuw iets ontdekken wat de moeite waard is.
Sonja Duba