De bakkerij in de Noord met de heetwateroven.
De bakkerij in de Noord met de heetwateroven. (Foto: aangeleverd)

Vieronsie en kropbrood: de geur van de dertiger jaren

Nieuws

OOSTZAAN - De jaren dertig van de vorige eeuw, staan bekend als de crisisjaren. Huisvrouwen moesten creatief en zuinig zijn en ieder dubbeltje omdraaien.

Zo maakten ze hun eigen deeg om kosten te besparen en lieten ze hun brood afbakken bij de bakker in de buurt. De oliestellen waren populair, maar daar zat geen oven bij. En zelf brood bakken in een kolenfornuis was duur. De bakker die zijn grote oven toch al aan had, kon het brood vaak goedkoper bakken, dan de kosten van de kolen thuis.

Vrouwen of kinderen brachten het zelf geknede deeg in een doek of een bakblik naar de bakker, vaak al vroeg in de ochtend als de oven op de juiste temperatuur was.

Jannetje Langenberg heeft het in 2004 zorgvuldig op papier gezet, met dat prachtige, schuine handschrift van vroeger. Tussen die elegante regels, met sierlijke lussen en hellende letters door, lezen wij over een stukje herinnering aan de bakkers van Oostzaan, in de tijd van de Grote Depressie, toen een vers gebakken brood een luxe was.

De goeie ouwe tijd

In de jaren dertig, toen Oostzaan nog een dorpie was, woonden er wel zeven bakkers. Ik herinner mij er één in de Noord één in de Kattenhoek, er zaten er drie in de Kerkbuurt één in de Zuid en een ‘kouwe bakker’ in de Kerkstraat, die kocht het brood in en bakte zelf niet.

De vele soorten brood die we nu kennen, waren er niet. We hadden wit brood, kropbrood en roggebrood. Nu bestellen we een half of een heel brood. Toen een bol of een vieronsie. Een vieronsie kostte acht cent. Veel koek werd er in die dagen niet gegeten.

Men kon bij de bakker voor een paar centen je eigen brood laten bakken. Wij brachten ons brood bij de bakker in de Kerkbuurt. Onderweg naar school leverden we de broodblikken af en ‘s middags, op de terugweg, namen we de blikken weer mee. Onderweg sneuvelde er nog wel eens een stukje brood.

Het is te begrijpen dat voor de bakker de spoeling nogal dun was, temeer omdat Oostzaan veel minder inwoners had dan nu. Daarom had de bakker in de Kattenhoek, een bijbaantje.

Hij was ‘drager’ bij begrafenissen. De dragers droegen in die tijd lange, zwarte jassen met zilverkleurige tressen en een hoge hoed. Ze verdienden per begrafenis één gulden.

Toen mijn grootmoeder een keer aan de bakkersvrouw vroeg: “Gaan de zaken nog een beetje, Mar?” Kreeg ze als antwoord : “Slecht, buur, bar slecht en nooit meer eens een dooie.”

Overal stonden de planken vol met deegstukken van de buurtvrouwen. De bakker drukte een klein loden pennetje in het deeg. Ieder brood had zijn eigen nummer. Zo wist hij, als er vijftig goudbruine broden uit de oven kwamen, welk brood van wie was. Voor het gebruik van de oven werd ‘bakloon’ betaald en dat was vele malen goedkoper dan zelf urenlang een kolenfornuis stoken.

Na een paar uur kon het versgebakken, geurende brood weer worden opgehaald. Dan hoorde je de vrouwen praten over wat ze precies hadden laten maken. Een ‘kropbrood’ of een ‘vieronsie’. Het ‘kropbrood’ werd, zonder blik, los op de ovenvloer gebakken. Het werd een ‘vloerbrood’, bol van vorm met een dikke, knapperige korst. En een ‘vieronsie’ was een klein broodje van precies 400 gram. In de crisistijd telde elke cent en elk grammetje.

Het brood was hoog en luchtig, veel beter dan ze het thuis op hun kacheltjes hadden kunnen krijgen. De geur was overweldigend, je werd er gelukkig van, een geur die de grauwe crisisjaren heel even deed vergeten.

  

Sonja Duba en Joop Giesendanner